Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17 oktober 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:1878
Chauffeur vordert loon over periode van arbeidsongeschiktheid. Uitgaande van standplaats, bestaat geen grond het door werknemer berekende gemiddelde aantal overuren te corrigeren met reistijd. Werknemer behield ook tijdens coronapandemie recht op overwerkvergoeding.

Feiten

Werkgeefster drijft een transportonderneming. Met ingang van 1 oktober 2018 is werknemer in dienst getreden bij werkgeefster als (vrachtwagen)chauffeur. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is niet schriftelijk vastgelegd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) van toepassing. In de cao is bepaald dat de arbeidsovereenkomst schriftelijk dient te worden aangegaan en de standplaats dient te omvatten. Op grond van de cao heeft de werknemer bij arbeidsongeschiktheid recht op een suppletie tot 100%. Het loon bij ziekte bestaat – kort samengevat en voor zover voor deze zaak van belang – uit het functieloon, en het bedrag dat de werknemer gemiddeld gedurende de periode van 52 weken voorafgaande aan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen aan overuren, zaterdag- en zondaguren voor zover deze de 40 uur per week overschrijden en de toeslagen van 50% respectievelijk 100% over deze uren. Op 28 november 2019 is werknemer als gevolg van een arbeidsongeval arbeidsongeschikt geworden. Werknemer heeft gevorderd om werkgeefster te veroordelen tot betaling van diverse bedragen aan achterstallig loon, vakantiebijslag en aanvulling bij arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen. Werkgeefster is in eerste aanleg veroordeeld tot betaling aan werknemer van een bedrag van € 3.901,40 bruto aan achterstallig salaris. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld. De discussie tussen partijen spitst zich in hoger beroep toe op de omvang van de loondoorbetalingsverplichting wat betreft de vergoeding van het gemiddelde aantal overuren en zaterdag- en zondaguren (hierna ook: de overwerkvergoeding). Beoordeeld moet worden of bij de berekening van deze vergoeding uren afgetrokken moeten worden die als reistijd voor woon-werkverkeer voor eigen rekening van werknemer blijven. Verder is het de vraag of werknemer recht heeft gehad op doorbetaling van de overwerkvergoeding gedurende de coronapandemie.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Standplaats

Allereerst wordt beoordeeld van welk aantal gemiddeld gemaakte overuren, zaterdaguren en zondaguren uitgegaan moet worden bij de berekening van de overwerkvergoeding. Daarbij is van belang wat de standplaats als bedoeld in artikel 3 lid 7 van de cao is. Partijen verschillen daarover van mening. Werkgeefster stelt zich op het standpunt dat de standplaats het havengebied in Rotterdam was. Werknemer stelt dat hij de vrachtwagen steeds dicht bij het vestigingsadres van werkgeefster heeft geparkeerd en dat dat adres als standplaats heeft te gelden. Vaststaat dat door het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in strijd met de cao niet schriftelijk is vastgelegd wat de standplaats is. De gevolgen van de onduidelijkheid die daardoor veroorzaakt is, dienen naar het oordeel van het hof voor rekening van werkgeefster te komen. Werkgeefster heeft haar betoog dat de standplaats het havengebied in Rotterdam is, onvoldoende onderbouwd. Vaststaat dat werknemer de vrachtwagen die hij bestuurde steeds met toestemming van werkgeefster bij de vestiging van werkgeefster heeft geparkeerd, althans dat werkgeefster zich daartegen niet heeft verzet. Daarom is het hof van oordeel dat het adres van werkgeefster als standplaats moet worden beschouwd. Uitgaande van die standplaats, in de buurt van het woonhuis van werknemer, bestaat geen grond om het door werknemer berekende gemiddelde aantal overuren, zaterdaguren en zondaguren te corrigeren met reistijd wegens woon-werkverkeer.

Coronapandemie

Dan is er de vraag of werknemer recht heeft op doorbetaling van de overwerkvergoeding over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020. Werkgeefster heeft aangevoerd dat onverkorte toepassing van artikel 16 van de cao (aanvulling salaris bij arbeidsongeschiktheid) over die periode naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Het hof gaat hier niet in mee. Werkgeefster heeft geen inzicht gegeven in de financiële gevolgen van de door de overheid getroffen coronamaatregelen voor haar onderneming. Voorts is de arbeidsongeschiktheid van werknemer veroorzaakt door een arbeidsongeval en bedraagt de gevorderde overwerkvergoeding slechts een beperkt bedrag. De conclusie is dat werknemer onverkort recht heeft op doorbetaling van de overwerkvergoeding over die periode.