Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 november 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:10182
Feiten
Werknemer is van 1 januari 1990 tot 10 januari 2007 in dienst geweest bij (een rechtsvoorganger van) Brunel Nederland B.V. (hierna: Brunel). Werknemer nam deel aan de bij Brunel geldende pensioenregeling die was ondergebracht bij Nationale Nederlanden N.V. Dat was een eindloonregeling. Vanaf 1 januari 1997 is werknemer voor Brunel uitgezonden naar het buitenland. Partijen hebben daarover afspraken gemaakt en vastgelegd in een uitzendovereenkomst. Daarin staat onder meer dat werknemer vanaf 1 januari 1997 een arbeidsovereenkomst met Brunel International SEA zal aangaan en dat zijn rechten en plichten voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst met Brunel vanaf die datum worden opgeschort. Deze herleven zodra hij zal terugkeren en weer beschikbaar is voor Brunel Nederland. In de overeenkomst staat verder dat de pensioenregeling in Nederland op gelijke voet zal worden voortgezet. In de jaren 1997 tot en met 2001 heeft Brunel pensioenpremie afgedragen op basis van het jaarsalaris van werknemer in 1996 in Nederland. In 2001 en 2002 heeft Brunel verschillende keren met werknemer gecommuniceerd over zijn pensioen en de komst van een nieuwe pensioenregeling. In 2002 heeft Brunel de pensioenregeling bij Nationale Nederlanden voor al haar werknemers beëindigd. Voor de werknemers in Nederland heeft zij toen een beschikbare premieregeling ingevoerd. In 2006 is werknemer ontslagen met als gevolg dat er verschillende juridische procedures zijn gevoerd. In 2010 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is een finalekwijtingsbeding opgenomen. Werknemer stelt dat Brunel de pensioenregeling niet goed is nagekomen doordat de pensioenopbouw in de periode 1997 tot en met 2001 is gebaseerd op een te laag salaris en doordat Brunel in 2002 de eindloonregeling heeft gewijzigd in een beschikbare premieregeling. Werknemer vordert primair dat Brunel de pensioenregeling alsnog nakomt door een koopsom af te storten bij een levensverzekeraar. Subsidiair, als nakoming blijvend onmogelijk is, vordert hij schadevergoeding. Volgens Brunel is de pensioenovereenkomst correct nagekomen. Brunel voert verder als verweer dat de eindloonregeling is gewijzigd. Brunel beroept zich ook op de overeengekomen finale kwijting, de klachtplicht en verjaring. Verder betwist Brunel de hoogte van de gestelde schade. Als tegeneis vordert Brunel betaling van advocaatkosten omdat werknemer de afspraak om geen juridische procedures meer te voeren heeft geschonden. Werknemer is het daar niet mee eens.
Oordeel
De vordering van werknemer over de periode 1997 tot en met 2001
De vordering van werknemer die betrekking heeft op de periode 1997 tot en met 2001 zal worden afgewezen. De kantonrechter vindt namelijk dat Brunel haar verplichtingen correct is nagekomen. Werknemer stelt dat in de uitzendovereenkomst van 1996 is overeengekomen dat tijdens de uitzendperiode de pensioenregeling in Nederland op dezelfde wijze zou worden voortgezet. De pensioenopbouw zou volgens hem dus plaatsvinden op basis van het in het betreffende jaar geldende salaris, zodat salarisstijgingen meetellen. Brunel heeft aangevoerd dat zij in 1996 mondeling met werknemer heeft afgesproken dat de pensioenopbouw zou worden voortgezet op basis van het in 1996 geldende jaarsalaris. Brunel heeft ook aangevoerd dat zij in 2001 en 2002 schriftelijk aan werknemer heeft bevestigd dat de afspraak was dat zijn pensioenopbouw tijdens zijn uitzending op basis van het salaris van 1996 werd voortgezet. De kantonrechter oordeelt dat werknemer onvoldoende andere feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zijn pensioenopbouw tijdens de uitzendperiode zou worden voortgezet op basis van zijn buitenlandsalaris, inclusief salarisstijgingen. Een dergelijke betekenis kan daarom niet worden toegekend aan de afspraak uit 1996. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Voor een ander deel kan de kantonrechter nog niet beslissen wie gelijk krijgt. Daarvoor is bewijslevering nodig. De tegeneis van Brunel wordt afgewezen.
De vordering van werknemer over de periode vanaf 2002
Voor de beantwoording van de vraag of de pensioenaanspraken onder de finale kwijting vallen, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de vaststellingsovereenkomst is over pensioenaanspraken niets geregeld. Brunel heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat het finalekwijtingsbeding ook zag op zijn pensioenaanspraken.
Wijziging pensioenovereenkomst vanaf 2002 met instemming werknemer?
Omdat Brunel zich erop beroept dat de eindloonregeling is gewijzigd doordat zij met werknemer een individuele afspraak tot wijziging van de pensioenregeling heeft getroffen en werknemer dit gemotiveerd heeft betwist, ligt het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van Brunel om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat zij werknemer voldoende duidelijk heeft geïnformeerd over de inhoud van de wijziging van de pensioenregeling. Anders dan Brunel heeft betoogd vormt het enkele tijdsverloop geen aanleiding voor omkering van de bewijslast. Een schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv) kan niet worden aangenomen. Als na bewijslevering wordt geoordeeld dat Brunel werknemer voldoende duidelijk heeft geïnformeerd over de inhoud van de wijziging van de pensioenregeling, dan mocht zij er op basis van de gedragingen van werknemer gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij met de wijziging instemde. Dan slaagt het verweer van Brunel en worden de vorderingen van werknemer afgewezen. Als Brunel werknemer niet voldoende duidelijk heeft geïnformeerd, dan mocht zij er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij instemde met de wijziging van zijn pensioenregeling en heeft hij in beginsel recht op nakoming van de eindloonregeling, tenzij een van de andere verweren slaagt. Brunel heeft ook als verweer gevoerd dat de rechten van werknemer zijn vervallen omdat hij te laat heeft geklaagd over het niet goed uitvoeren van de pensioenregeling. De kantonrechter kan nog niet beslissen of dit verweer slaagt. Voor het beroep op rechtsverwerking en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geldt net als bij de klachtplicht dat hierover pas kan worden geoordeeld als duidelijk is of werknemer voldoende is geïnformeerd over de inhoud van de wijziging van de pensioenregeling. Brunel stelt dat de vordering is verjaard omdat deze in 2006 opeisbaar was dan wel omdat werknemer toen bekend was met de schade omdat hij wist dat er geen dan wel een afwijkend bedrag was afgedragen. De kantonrechter begrijpt dat Brunel bedoelt dat werknemer in 2006 bekend was met de tekortkoming. De kantonrechter kan nog niet beoordelen of dat zo is. De kantonrechter laat Brunel toe bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij werknemer voldoende duidelijk heeft geïnformeerd over de inhoud van de wijziging van zijn pensioenregeling.