Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ werkgeefster c.s.
Rechtbank Midden-Nederland, 1 februari 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:606
Voor niet-objectiveerbare (whiplash)klachten is verdere onderbouwing nodig dan de enkele melding van de arts die verzoekster heeft overgelegd. In deelgeschil geen plaats voor nadere bewijslevering.

Feiten

Werkneemster had van 30 november 2015 tot juli 2021 een arbeidsovereenkomst met werkgeefster. Werkgeefster verricht schoonmaakwerkzaamheden bij X. Werkneemster was vanaf het begin van haar arbeidsovereenkomst tewerkgesteld bij A, een basisschool die onderdeel uitmaakt van X. Zij verrichtte schoonmaakwerkzaamheden, waaronder het dagelijks schoonhouden van de toiletruimte. Op 4 maart 2019 is werkneemster gevallen op de vloer van de toiletruimte. Werkneemster verzoekt een verklaring voor recht dat werkgeefster alsmede X (hoofdelijk) aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:658 lid 2 resp. lid 4 BW.

Oordeel

Werkneemster stelt dat zij direct na het ongeval last had van een pijnlijke onderrug. In de periode daarna is zij steeds meer gezondheidsklachten gaan ervaren. Allereerst is het de vraag of een pijnlijke rug kwalificeert als letsel. In het algemeen geldt dat er geen ondergrens is voor de ernst van letsel. In dit geval was echter geen sprake van zichtbaar letsel, maar enkel van een subjectief gevoel. In dat kader heeft werkneemster aangevoerd dat ook bijvoorbeeld whiplashklachten kunnen worden behandeld in deelgeschil. Anders dan werkneemster betoogt, gaat het volgens vaste jurisprudentie bij het bestaan van dergelijke niet-objectiveerbare (whiplash)klachten om naar hun aard subjectieve klachten, waarvan voldoende aannemelijk moet worden dat deze aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Daarvoor is een verdere onderbouwing nodig dan de enkele melding die verzoekster heeft overgelegd van de arts, nl. ‘pijnlijke onderrug na val, geen acute pathologie’. Bovendien is het de kantonrechter volstrekt onduidelijk waarom niet meer medische informatie wordt overgelegd dan de paar regels uit het verslag van de spoedeisende hulp. Dat met het overleggen van deze medische informatie sprake zou zijn van een inbreuk op haar privacy kan niet worden gevolgd. Bovendien zal - ter vaststelling van de gestelde schade - de medische situatie in een later stadium hoe dan ook nader moeten worden onderbouwd. Daarbij komt dat werkneemster ook vóór het ongeval mogelijk al last had van rugklachten (pre-existente klachten?). Het is dus de vraag of de pijnlijke onderrug (enkel) het gevolg is van de val. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de brief van (de verzekeraar van) werkgeefster verder geen erkenning van het gestelde letsel en/of schade worden afgeleid. Aan een erkentenis mag de eis worden gesteld dat deze uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is gedaan. Dat is niet het geval. Verder zijn de (feitelijke) omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden onduidelijk. Vaststelling hiervan gaat vooraf aan de beantwoording van de vraag of en, zo ja, op welke wijze werkgeefster zich heeft gekweten van de op haar rustende zorgplicht. Hier kan niet worden ontkomen aan nadere bewijslevering. Daarvoor is in deze procedure geen plaats De verzoeken tegen werkgeefster worden afgewezen. Ook de verzoeken tegen X worden afgewezen. X zou aansprakelijk kunnen zijn op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Werkneemster was echter voor haar veiligheid echter niet (mede) afhankelijk van X. Omdat het werk op de locatie van A werd uitgevoerd, zou dat mogelijk anders zijn als sprake was van een (intrinsiek) gevaarlijke situatie in de basisschool waarvoor zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Er is echter niet gebleken dat daarvan sprake was. X heeft onbetwist aangevoerd dat de vloer in de toiletruimte een ‘troffelvloer’ is. Aannemelijk is dat het nat schoonmaken van deze vloer op zichzelf geen gevaarlijke situatie oplevert.