Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 3 november 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:11667
Feiten
In Detentiecentrum Schiphol (hierna: DCS) gaan gedetineerden bij binnenkomst en vertrek langs de afdeling Visitatie of BAD (Binnenkomst Afdeling Delinquenten). Daarbij wordt een tweetal controles uitgevoerd. Werknemer X is op 2 april 1995 en werknemer Y is op 23 april 2012 in dienst getreden bij DCS in de functie van senior respectievelijk medior BAD-medewerker. De cao Rijk is van toepassing. Op 17 augustus 2023 hebben X en Y avonddienst. X is die avond onder meer verantwoordelijk voor de telling van het aantal gedetineerden. Daartoe bellen alle elf afdelingen hun tellingen door. Gelijktijdig met de telling geeft een collega aan X door dat gedetineerde H met ontslag kan; een onmiddellijke vrijlating. Daartoe legt die medewerker een door de directie ondertekend ontslagbewijs op het bureau van X met de mededeling dat X nog moest wachten op een goedkeurings-e-mail. X heeft vervolgens in de bewegingslijst naar de naam van gedetineerde H gezocht, alvast zijn dossier erbij gepakt en daarin de relevante stukken opgeborgen. Y heeft daarna de (tweede) controle van de biometrie uitgevoerd en daarvoor de biometrische gegevens in het aan hem overhandigde dossier (dat X had gepakt) vergeleken met de biometrische gegevens van de gedetineerde die voor hem stond. Volgens Y kwamen deze gegevens overeen. Na ondertekening van het ontslagbewijs is gedetineerde H naar buiten begeleid. Op 18 augustus 2023 is DCS erachter gekomen dat de verkeerde gedetineerde (met dezelfde achternaam) is vrijgelaten. Nadat X en Y meermaals zijn gehoord, wordt aan elk van hen conform de cao een straf opgelegd, inhoudende per direct overplaatsing (en degradatie voor X) naar de functie van medior complexbeveiliger binnen DCS, met behoud van loon en emolumenten. X en Y wordt verweten dat zij de geldende procedure voor vrijlating niet hebben opgevolgd. X en Y wensen terug te keren in hun functies en werkhervatting en daar zien de vorderingen ook op. Volgens hen is de onterechte vrijlating niet (geheel) aan hen te wijten, omdat de omstandigheden niet aan hen te wijten zijn.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat de onterechte vrijlating wel aan X en Y is te wijten en overweegt daartoe als volgt. Binnen DCS gelden werkinstructies, werknemers wisten hoe zij in geval van vrijlating moesten handelen en zij waren op 17 augustus 2023 verantwoordelijk voor de controles van vrij te laten gedetineerden. Gelet op de verantwoordelijke positie van X, de kerntaken van de functies van X en Y en hun lange dienstverbanden, had van werknemers meer zorgvuldigheid en alertheid mogen worden verwacht. De hectiek van de tellingen kan X niet baten, omdat nergens uit blijkt dat de vrijlating binnen een bepaald tijdsbestek moest plaatsvinden. Ook de werkdruk binnen DCS kan werknemers niet baten. Als zij te moe waren om hun functie uit te voeren, had van hen verwacht mogen worden dat zij aan de bel zouden trekken. Anders dan werknemers menen, houdt het goed werkgeverschap dat in acht moet worden genomen bij de toepassing van een contractueel beding als de onderhavige niet in dat aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet zijn voldaan. Wel moet een overheidswerkgever bij het opleggen van een straf zich houden aan onder meer het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Daaraan is volgens de kantonrechter voldaan. Werknemers zijn gehoord, er is rekening gehouden met hun persoonlijke omstandigheden, DCS heeft enkele dagen de tijd genomen om tot een besluit te komen, de straf staat in verhouding tot de gedragingen en vaststaat dat X en Y de spil waren bij de onterechte vrijlating. De straffen zijn niet onredelijk en de vorderingen worden afgewezen.