Naar boven ↑

Rechtspraak

de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) / werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 juli 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:12067
Ontbinding op de i-grond. Toekenning cumulatievergoeding.

Feiten

Werknemer is op 1 mei 2022 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de Staat, tegen een salaris van € 2.469,87 bruto per maand exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Rijk 2022-2024 (‘cao’) van toepassing. In de cao staat onder meer dat werknemer zich als goed ambtenaar moet gedragen. Werknemer is werkzaam in de Rotterdamse Haven en volgt de (start)opleiding tot groepsfunctionaris C in welke functie hij ook een boa-bevoegdheid nodig heeft. Op enig moment wordt werknemer geschorst vanwege een loonbeslag voor verkeersboetes op zijn naam en twijfels over zijn integriteit als douaneambtenaar. Op 10 mei 2023 heeft de Staat een ontbindingsverzoek ingediend op de e-grond, g-grond of i-grond. Volgens de Staat bestaat het verwijtbaar handelen uit: (a) dat hij onjuiste opgaves heeft gedaan bij zijn indiensttreding (woonplaats), (b) onjuist heeft verklaard dan wel opgaaf heeft gedaan van zijn woonadres en/of (c) onaannemelijke en/of niet transparante verklaringen heeft afgelegd vanaf het moment dat hij met de loonbeslagen door de werkgever was geconfronteerd.

Oordeel

De kantonrechter overweegt dat de Staat onvoldoende heeft aangevoerd voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van verwijtbaar handelen (e-grond). Het verwijt aan werknemer betreft onjuiste, onaannemelijke en/of niet transparante verklaringen met betrekking tot loonbeslagen en de registratie van auto's op zijn naam. De kantonrechter constateert dat werknemer weliswaar onhandig heeft gehandeld, maar dat dit niet zodanig ernstig is dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet kan worden gevergd. Hoewel werknemer niet op de hoogte was van de opgelegde boetes en de registratie van auto's op zijn naam, stelt de kantonrechter dat dit binnen zijn risicosfeer ligt. Het gebrek aan duidelijkheid over zijn woonadres en financiën wordt weliswaar als onhandigheid gezien, maar niet als zodanig verwijtbaar dat ontbinding gerechtvaardigd is. De verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) wordt eveneens afgewezen. Ondanks twijfels over de integriteit van werknemer heeft de kantonrechter geoordeeld dat de verstoring niet zodanig is dat voortzetting van het dienstverband onmogelijk is. De Staat heeft niet aangetoond dat hij actief heeft geprobeerd de verstoorde verhouding te herstellen. Uiteindelijk oordeelt de kantonrechter dat de combinatie van omstandigheden, waaronder het verwijtbaar handelen en de verstoorde arbeidsverhouding, weliswaar onhandig gedrag van werknemer weerspiegelt, maar niet voldoende is voor ontbinding op de afzonderlijke e- en g-gronden. Desalniettemin wordt de ontbinding toegewezen op de i-grond, waarbij verschillende omstandigheden tezamen leiden tot het oordeel dat voortzetting van het dienstverband niet meer redelijk is. Hierbij wordt het integriteitsrisico van werknemer in zijn douanefunctie als boa in de Rotterdamse Haven benadrukt. De kantonrechter gaat voorbij aan het BIPO-verweer van werknemer en wijst het verzoek op de i-grond toe. Omdat werknemer niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maakt hij wel aanspraak op een transitievergoeding. Ook zal een bedrag van € 640,02 bruto als aanvullende vergoeding (50%) aan werknemer worden toegekend. De Staat heeft onvoldoende argumenten of omstandigheden aangedragen die aanleiding kunnen zijn om geen aanvullende dan wel een lagere cumulatievergoeding toe te kennen. Werknemer ontvangt geen billijke vergoeding omdat van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van de Staat geen sprake is.