Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 23 januari 2024
ECLI:NL:RBOVE:2024:376
Feiten
Werkneemster is bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van medewerkster bediening. Op 7 maart 2019 zijn werkneemster en de bestuurder en enig aandeelhouder van werkgeefster een overeenkomst van geldlening overeengekomen op grond waarvan werkneemster een bedrag van € 200.000 aan de holding heeft geleend. Werkneemster en de bestuurder zijn op enig moment met elkaar in onderhandeling getreden over de overname van alle aandelen van de holding door werkneemster. Partijen hebben op 1 september 2022 een koopovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de overname van de aandelen. De onderhandelingen tussen partijen zijn eind mei 2023 stukgelopen en aan de koopovereenkomst is geen uitvoering gegeven. In een andere bij de rechtbank lopende procedure tussen partijen zijn de voormelde geldleningen en de koopovereenkomst onderwerpen van geschil. Op 23 mei 2023 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Sindsdien heeft zij geen werkzaamheden meer verricht. Eind mei 2023 heeft zij voor het laatst salaris uitbetaald gekregen. Werkneemster verzoekt onder meer (a) een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, (b) de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding en (c) achterstallig loon en uitbetaling van verlofuren. Werkgeefster voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkneemster, dan wel afwijzing van haar verzoeken.
Oordeel
Achterstallig loon
Tussen partijen staat vast dat zij vijf keer met elkaar een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Er is discussie over de datum van de eerste indiensttreding, 1 januari 2019 of 1 juni 2020. De kantonrechter gaat ervan uit dat werkneemster pas per 1 juni 2020 bij werkgeefster in dienst is getreden. Verder wordt ervan uitgegaan dat zij ook steeds heeft gewerkt gedurende de periodes die vermeld worden in de vijf door werkgeefster overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomsten. Werkneemster betoogt dat zij meer uren heeft gewerkt dan de uren waarvoor zij loon heeft ontvangen, hetgeen door werkgeefster wordt betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de cao worden afgeleid dat er slechts recht bestaat op vergoeding van overuren als de werkgever het maken van overuren heeft verzocht. Dat werkgeefster dergelijke verzoeken heeft gedaan, heeft werkneemster niet gesteld en dat blijkt ook nergens uit. Reeds hierom gaat de stelling van werkneemster dat zij overuren heeft gedraaid, die werkgeefster nog moet vergoeden, niet op. Werkneemster heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij behoudens vergoeding wegens gemaakte overuren, ook nog recht heeft op te weinig betaalde uren “reguliere arbeidstijd”. Dat zij meer uren heeft gemaakt dan de volgens werkgeefster gemaakte en beloonde uren kan onvoldoende worden opgemaakt uit de door werkneemster overgelegde producties. Het verzoek tot betaling van achterstallig loon wordt afgewezen.
Gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding en verlofuren
Werkneemster heeft betwist dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dat werkgeefster dat mocht aannemen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkgeefster niet mogen aannemen dat werkneemster de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde en had opgezegd. Werkneemster kan dan ook aanspraak maken op de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter berekent de transitievergoeding op € 2.283,33 bruto. De billijke vergoeding wordt - nu werkneemster inmiddels een nieuwe baan heeft - vastgesteld op twee maandsalarissen, minus een bedrag ten belope van de haar toekomende gefixeerde schadevergoeding. De vergoeding voor opgebouwde niet-genoten verlofdagen wordt vastgesteld op € 1.045,66 bruto. Het verzoek tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.