Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 2 januari 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:66
Feiten
Werknemer is op 1 september 1999 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) werkgever. Partijen zijn op 10 december 2008 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan. In deze overeenkomst is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Werknemer vervult de functie van gevorderd assistent-accountant. Werknemer heeft, met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden, zijn dienstverband met werkgever tegen 31 december 2023 opgezegd. Werknemer is voornemens per 1 januari 2024 in dienst te treden bij bedrijf X (hierna: X). Werknemer vordert in kort geding schorsing van het concurrentie- en relatiebeding.
Oordeel
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter wordt werknemer door handhaving van het concurrentie- en relatiebeding niet onbillijk benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van werkgever. Werknemer, die 24 jaar bij de werkgever heeft gewerkt, heeft kennis van unieke werkprocessen en strategieën, waaronder een door de werkgever ontwikkeld systeem. Dit systeem biedt aanzienlijke efficiencyvoordelen, en werknemer erkent bedreven te zijn in het gebruik ervan. De kantonrechter oordeelt dat het concurrentie- en relatiebeding gerechtvaardigd is om het bedrijfsdebiet en de zakelijke relaties van werkgever te beschermen. Het belang van werknemer om elders te gaan werken wordt als begrijpelijk beschouwd, maar weegt onvoldoende op tegen het belang van werkgever om het concurrentie- en relatiebeding te handhaven. Werkgever heeft de werking van de bedingen beperkt tot specifieke administratiekantoren in dezelfde markt (drie concurrenten in totaal). De kantonrechter wijst de vordering van werknemer af, omdat het niet aannemelijk is dat de belangenafweging in een bodemprocedure in het voordeel van werknemer zal uitvallen.