Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 januari 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:498
Feiten
Werknemer is op 1 december 2008 bij werkgeefster in dienst getreden. Per 1 januari 2014 is hij werkzaam geweest als ‘Trade Manager Biofuel’ met een jaarsalaris van circa € 150.000 bruto exclusief bonussen en was hij hoofd van de afdeling biobrandstof. Werknemer heeft op 29 juli 2013 een eenmanszaak opgericht. Nadien heeft werknemer nog een aantal vennootschappen opgericht. Deze vennootschappen houden zich – net als werkgeefster – bezig met werkzaamheden op het gebied van biobrandstof. Werkgeefster is bij het afsluiten van de boeken van het boekjaar 2014 geconfronteerd met mogelijke onregelmatigheden in de administratie. Ook had zij grote niet-inbare vorderingen op een bedrijf waar werknemer namens werkgeefster veelvuldig mee handelde. Werkgeefster heeft uiteindelijk in 2014 grote verliezen geleden en zij heeft het nettoresultaat met USD 207 miljoen moeten bijstellen. Werkgeefster heeft begin 2015 een onderzoek ingesteld naar de onregelmatigheden. Werknemer is in dat kader op 5 maart 2015 vrijgesteld van werkzaamheden. Op 6 mei 2015 is het onderzoeksrapport afgerond en diezelfde dag is werknemer op staande voet ontslagen. Werkgeefster heeft op 12 mei 2015 aangifte gedaan tegen werknemer. Het OM heeft werknemer vervolgd voor het plegen van valsheid in geschrifte, hetgeen door de rechtbank bewezen is verklaard. Werkgeefster vordert onder meer een verklaring voor recht dat werknemer aansprakelijk is voor de schade die werkgeefster heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen en dat hij gehouden is de schade als gevolg daarvan te vergoeden. In het tussenvonnis (zie AR 2022-1133) heeft de kantonrechter geoordeeld dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van documenten en het vervalsen van het interne handelsadministratiesysteem van werkgeefster. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling. Werknemer heeft immers meerdere vennootschappen opgericht die zich bezighielden met biobrandstof en heeft niet in alle opzichten de belangen van werkgeefster behartigd, maar ook die van zijn eigen vennootschappen. Werkgeefster is verzocht zich onder meer nader uit te laten over (1) het causaal verband tussen de schade en de verschillende onderdelen van het onrechtmatig handelen van werknemer, (2) in welk opzicht sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW en (3) de omvang van de schade.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Gevorderde schadebedragen
Vooropgesteld wordt dat voldoende vaststaat dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan het manipuleren van de cijfers in de administratie van werkgeefster. Verwezen wordt naar het tussenvonnis alsook de strafmotivering in het strafvonnis. Deze handelwijze is aan te merken als opzettelijk handelen van werknemer ex artikel 7:661 BW en heeft tot gevolg gehad dat de resultaten van de biobrandstofafdeling positiever in de boeken zijn gekomen dan zij feitelijk waren. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het gestelde handelsverlies aan te merken is als geleden schade en, als dat wel zo is, dat het gestelde handelsverlies is toe te rekenen aan werknemer. De kantonrechter overweegt onder meer dat de niet-gerealiseerde winsten ten onrechte in de boeken stonden en dus een fictie waren. Dat die bedragen later als verlies zijn afgeboekt, doet er niet aan af dat er in feite geen winst was, zodat werkgeefster ook geen winst heeft misgelopen. Werkgeefster heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het schadebedrag van USD 57.367.000 is opgebouwd en op welke wijze dit schadebedrag het gevolg is van de verweten handelwijze van werknemer. Het causaal verband tussen de verweten gedragingen van werknemer en het gestelde handelsverlies ontbreekt, zodat voor toewijzing van het gestelde schadebedrag geen grondslag bestaat. Het subsidiair gevorderde schadebedrag van USD 40.413.179 (bestaande uit oninbare vorderingen, het annuleren van contracten, het nalaten een factuur te versturen en ten onrechte verrichte cashbetalingen) wordt eveneens afgewezen bij gebrek aan de vereiste opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer dan wel het causaal verband tussen het handelen van werknemer en de gestelde schade.
Verklaring voor recht
De gevorderde verklaring voor recht dat werknemer aansprakelijk is voor de schade die werkgeefster heeft geleden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen, wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat werkgeefster, tien jaar na de aanvang van het gestelde onrechtmatig handelen, nog andere schade heeft geleden dan de schade die zij in deze procedure naar voren heeft gebracht, dus er is geen zelfstandig belang bij dit onderdeel van de vordering. Bovendien is de vordering te algemeen geformuleerd; de verklaring voor recht is gebaseerd op artikel 6:162 BW, maar in dit geval is artikel 7:661 BW aan de orde.
Betaling van boetes/onderzoekskosten/bonussen
In de arbeidsovereenkomst is een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. In het tussenvonnis is reeds geconcludeerd dat werknemer met zijn nevenwerkzaamheden (zijn eigen vennootschappen) flagrant in strijd met de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld. De kantonrechter matigt het boetebedrag (van € 6.555.000) tot € 200.000, onder meer nu niet is gebleken dat werkgeefster als gevolg van de nevenwerkzaamheden van werknemer schade heeft geleden waarvoor werknemer aansprakelijk kan worden gehouden. Werknemer wordt voorts veroordeeld tot terugbetaling van de door hem ontvangen bonussen over 2013 (€ 180.000) en 2014 (€ 232.952,14), nu deze betalingen onverschuldigd zijn gedaan. Door bewust te ‘sjoemelen met cijfers’ kan het niet anders dan dat werknemer ten tijde van het ontvangen van de bonusuitkeringen wist of vermoedde dat hij geen bonus toegekend zou hebben gekregen, indien werkgeefster op de hoogte was van zijn frauduleuze handelwijze. Het beroep van werkgeefster op artikel 6:205 BW in dit kader slaagt. Tot slot wordt werknemer veroordeeld de onderzoekskosten van werkgeefster te vergoeden. Een bedrag van € 319.828,89 aan onderzoekskosten wordt toegewezen.