Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 31 januari 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:502
Feiten
Op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar is werkneemster op 5 september 2022 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van interieurverzorgster. Op de arbeidsovereenkomst is het huishoudelijk reglement van toepassing verklaard, waarin een concurrentiebeding is opgenomen tot en met een jaar na het dienstverband. Na 4 september 2023 is werkneemster blijven werken bij werkgeefster. In dat kader hebben werkneemster en werkgeefster gesproken over het ondertekenen van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Vervolgens heeft een administratief medewerkster van werkgeefster op 28 september 2023 aan werkneemster een nieuwe arbeidsovereenkomst voorgelegd, waarin een concurrentiebeding van vijf jaar was opgenomen. Werkneemster heeft geweigerd die arbeidsovereenkomst te tekenen en is naar huis gegaan. Werkgeefster heeft werkneemster laten weten dat zij moet komen werken, omdat zij zich anders schuldig maakt aan werkweigering met alle gevolgen van dien. Later op de dag heeft werkgeefster werkneemster op staande voet ontslagen, omdat werkneemster volgens werkgeefster “vandaag” (28 september 2023) heeft verzuimd te gaan werken en heeft geweigerd het nieuwe concurrentiebeding te aanvaarden terwijl het volgens werkgeefster haar recht was “om die voorwaarden in een nieuw contract aan te passen en zelfs in een huishoudelijk reglement aan te bieden en ook daar zodanig aan te passen”. Werkneemster verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 en 7:672 BW en dat het concurrentiebeding (ver)nietig(baar) is. Ook verzoekt werkneemster om toekenning van de schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 4 BW, de transitievergoeding, een billijke vergoeding, de aanzegvergoeding, de eindafrekening van de opgebouwde vakantie- en overuren en reeds opgebouwd vakantiegeld, alles vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Ontslag op staande voet en concurrentiebeding
Het ontslag op staande voet is onterecht gegeven, omdat een dringende reden ontbreekt. Volgens de kantonrechter kan het gesprek op 28 september 2023 niet los worden gezien van de discussie over het concurrentiebeding. Zowel het eerste als het nieuwe concurrentiebeding acht de kantonrechter nietig, omdat de schriftelijke motivering voor die bedingen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontbrak. Om die reden heeft werkneemster terecht de voorgelegde arbeidsovereenkomst niet willen tekenen. Een ontslag op staande voet was niet de aangewezen weg voor het niet reageren op de Whatsappberichten van werkgeefster. Het had daarentegen op de weg van werkgeefster gelegen om zich voldoende in te zetten voor het wegnemen van de spanningen in een redelijk gesprek met werkneemster.
Onregelmatige opzegging, transitievergoeding en aanzegvergoeding
Omdat de werkzaamheden van werkneemster na 4 september 2023 zijn voorgezet, is de arbeidsovereenkomst voor een jaar voortgezet op de vroegere voorwaarden. Daarom komt werkneemster een schadevergoeding toe gelijk aan het loon over de periode van 28 september 2023 tot en met 4 september 2024. Ook komt werkneemster vanwege het beëindigen van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding toe en heeft zij recht op de verzochte eindafrekening. Verder wordt de verzochte aanzegvergoeding toegekend.
Billijke vergoeding
De billijke vergoeding wordt daarentegen afgewezen. De kantonrechter volgt werkneemster niet in haar stelling dat zij inkomensschade lijdt. Zij krijgt immers een gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Immateriële schade acht de kantonrechter verder onvoldoende gesteld en bewezen. Tot slot is de billijke vergoeding volgens de kantonrechter ook niet bedoeld als straf voor het handelen van werkgeefster, maar om de schade te vergoeden die werkneemster lijdt.