Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Hoge Raad (Locatie Den Haag), 28 april 1995
ECLI:NL:HR:1995:ZC1716
Instemming van werknemer met een hem gegeven ontslag mag slechts worden aangenomen op grond van een verklaring van de werknemer waaruit die instemming duidelijk en ondubbelzinnig blijkt. Ontslag op staande voet bij aangekondigde werkweigering: bij voorbaat en voorwaardelijk.

Feiten

Werknemer is op 12 april 1990 bij werkgever in dienst getreden als productiemedewerker tegen een loon van ƒ 210 netto per week.  Omstreeks 20 juli 1990 heeft werknemer aan werkgever gevraagd of hij vanaf 23 juli 1990 vakantie mocht opnemen. Op 20 juli 1990 is aan werknemer gezegd dat er een spoedkarwei of nieuw werk was en dat hij op 23 juli 1990 moest komen werken. Werknemer heeft daarop verklaard dat hij weigerde op 23 juli 1990 te komen werken. De in het bedrijf meewerkende echtgenote van werkgever (hierna: de echtgenote) heeft vervolgens tegen werknemer gezegd: ‘[werknemer], dan weet jij de gevolgen’. Werknemer is op 23 juli 1990 niet op het werk verschenen. Werknemer had op 20 juli 1990 geen recht op doorbetaling van loon gedurende de door hem gewenste vakantie van 20 juli tot 10 augustus 1990. Hij heeft in die periode een RWW-uitkering ontvangen. Op 8 augustus 1990 is werknemer een ongeval overkomen. Hij heeft met ingang van die datum ziekengeld ontvangen tot 29 oktober 1990. Op 26 oktober 1990 heeft werknemer zich beter gemeld en zich bereid verklaard met ingang van 29 oktober 1990 zijn werkzaamheden te hervatten. Werkgever heeft werknemer niet tot het werk toegelaten. Werknemer vordert doorbetaling van loon. Werkgever voert verweer en stelt (a) dat de arbeidsovereenkomst op 20 juli 1990 is opgezegd en dat werknemer daarmee heeft ingestemd, althans (b) dat op 20 juli 1990 aan werknemer is gezegd dat hij op 23 juli 1990 moest komen werken en dat hij, indien hij niet zou komen, met onmiddellijke ingang zou zijn ontslagen wegens onwettige afwezigheid. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. De rechtbank heeft het hiervoor onder (a) vermelde verweer van werkgever gegrond bevonden en de tegen het vonnis aangevoerde grieven verworpen. Werknemer heeft beroep in cassatie ingesteld.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt.

Onderdeel 1 richt zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank dat werknemer de mededeling van de echtgenote niet anders kan hebben opgevat dan dat werkgever een einde aan de arbeidsovereenkomst wilde maken. Het onderdeel faalt. In rechtsoverweging 5.1 stelt de rechtbank vast dat aan werknemer is gezegd dat er een spoedkarwei dan wel nieuw werk was en dat hij heeft geweigerd op 23 juli 1990 te komen werken. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat werknemer in het licht daarvan de mededeling van de echtgenote niet anders kon opvatten dan op de wijze als in het onderdeel vermeld. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in haar rechtsoverweging 5.2 dat als volgt kan worden weergegeven: werknemer heeft weliswaar niet uitdrukkelijk zijn instemming met het ontslag geuit, werkgever mocht echter uit de omstandigheden dat werknemer niet op de meergenoemde mededeling van de echtgenote heeft gereageerd en dat werknemer niet op het werk is verschenen zonder op enige wijze tegen het ontslag te protesteren, afleiden dat hij instemde met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 20 juli 1990. Het onderdeel treft doel. Instemming van een werknemer met een hem gegeven ontslag mag slechts worden aangenomen op grond van een verklaring van de werknemer waaruit die instemming duidelijk en ondubbelzinnig blijkt. Indien de rechtbank een minder strenge maatstaf heeft gehanteerd, is zij van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Mocht zij echter hebben geoordeeld dat een verklaring als vereist besloten ligt in de door haar vermelde gedragingen van werknemer, dan is dit oordeel niet begrijpelijk. Nu onderdeel 2 doel treft kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De rechtbank is, het hiervoor onder (a) weergegeven verweer van werkgever gegrond bevindend, niet toegekomen aan beoordeling van diens aldaar onder (b) weergegeven subsidiaire verweer. Na verwijzing zal laatstgenoemd verweer alsnog moeten worden onderzocht. Werknemer heeft dienaangaande in feitelijke instanties aangevoerd dat een ontslag op staande voet niet bij voorbaat en voorwaardelijk kan worden gegeven. Om redenen van proces-economie tekent de Hoge Raad daarom aan dat deze tegenwerping niet opgaat. Niet valt in te zien waarom een werkgever in een situatie zoals die zich blijkens de feitelijke vaststellingen van de rechtbank hier voordeed, niet ermede zou kunnen volstaan de werknemer die bij voorbaat aankondigt dat hij geen gehoor zal geven aan de opdracht maandag na het weekend op het werk te verschijnen, aan te zeggen dat, als de werknemer metterdaad — door weg te blijven — bij die weigering mocht volharden, de arbeidsovereenkomst met ingang van die maandag wegens werkweigering zal zijn beëindigd. Het heeft geen goede zin van de werkgever te vergen dat hij, zo de werknemer inderdaad niet verschijnt, hem 's maandags alsnog op staande voet ontslaat.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.