Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 14 februari 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:736
Werkneemster en werkgeefster hebben elkaar finale kwijting verleend ten aanzien van de verdeling van aandelen. Over de loonvordering van werkneemster hebben partijen elkaar geen finale kwijting verleend. Deze wordt daarom over de maanden maart tot en met juli 2018 toegekend.

Feiten

Werkneemster was sinds 1 juli 2008 in dienst bij werkgeefster in de functie van directeur tegen een salaris van € 30.000 bruto per jaar. Samen met haar echtgenoot was werkneemster tevens bestuurder van de vennootschap van werkgeefster waarbij zij samen de aandelen bezaten. Per 1 augustus 2018 heeft werkneemster haar dienstverband opgezegd. Haar salaris bedroeg toen € 2.400 netto per maand. In februari 2020 is het huwelijk tussen werkneemster en haar echtgenoot door een echtscheiding ontbonden. In het kader van de procedure rondom de echtscheiding heeft de rechter geoordeeld dat de aandelen van werkgeefster werden toebedeeld aan de (ex-)echtgenoot van werkneemster. Ook werd geoordeeld dat een bedrag van € 9.664,43 aan werkneemster moest worden betaald in verband met een in de bv ingebracht stamrecht. Het door werkneemster gevorderde achterstallige salaris kon in diezelfde procedure niet worden toegewezen, omdat deze vordering niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Vervolgens is bij notariële akte van 26 maart 2021 de verdeling en levering van de aandelen en de wijze van betaling vastgelegd. Ook is in die notariële akte opgenomen dat partijen ter zake van de verdeling van aandelen niets meer van elkaar te vorderen hebben. In onderhavige procedure vordert werkneemster werkgeefster te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.826,82 aan achterstallig loon over de maanden februari tot en met juli 2018, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, overlegging van correcte loonstroken, betaling van een bedrag van € 557,04 aan benzinekosten en betaling van de proceskosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De door werkgeefster aangebrachte uitleg van de akte van 26 maart 2021 – die volgens werkgeefster zo moet worden uitgelegd dat de finale kwijting tussen partijen zag op alles en dus ook op de loonvordering – wordt door de kantonrechter niet gevolgd. De bewoordingen van het beding zijn namelijk op zichzelf duidelijk. Daar komt bij dat uit de door werkneemster overlegde producties is gebleken dat het onderdeel “ter zake van deze verdeling van aandelen” uitdrukkelijk op verzoek van werkneemster is toegevoegd om problemen met de loonvordering te voorkomen. Verder is in de verdelingsprocedure geoordeeld dat de loonvordering niet-ontvankelijk was, terwijl de notariële akte naar aanleiding van die verdelingsprocedure is opgesteld. Ook volgt de kantonrechter werkgeefster niet in de door haar gestelde verjaring van de loonvordering. De kantonrechter gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling van de loonvordering. Het salaris over februari 2018 is volgens de kantonrechter volledig betaald, nu uit de overlegde rekeningafschriften blijkt dat een deel van het salaris naar de privérekening van werkneemster en een deel naar de gezamenlijke rekening van werkneemster en haar (ex-)echtgenoot is overgeboekt. De brief van de advocaat van werkneemster dat alleen bevrijdend kan worden betaald door betaling aan de privérekening van werkneemster was pas na deze betalingen verzonden. De vordering over maart 2018 is daarentegen wel toewijsbaar, omdat die vordering onvoldoende is betwist door werkgeefster. Ditzelfde geldt ten aanzien van het salaris over de maanden mei en juni 2018. Ook het salaris over juli 2018 is verschuldigd. Dat dit salaris is opgeschort en kan worden verrekend met andere (tegen)vorderingen, zoals werkgeefster stelt, is volgens de kantonrechter niet eenvoudig vast te stellen. Werkgeefster heeft immers geen eis in reconventie ingesteld. De benzinekosten zijn echter niet toewijsbaar, omdat werkneemster haar vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Tot slot wordt de wettelijke verhoging toegekend en dient werkgeefster de juiste loonstroken aan werkneemster te verstrekken, op straffe van een dwangsom.