Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 5 maart 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:1450
Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. De ontslagredenen uit de ontslagbrief zijn deels niet voldoende komen vast te staan of zijn niet in de ontslagbrief vermeld. Werkneemster heeft recht op vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Feiten

Werkneemster is in 2016 bij werkgeefster, een uitgever van regionale tijdschriften in Nederland, België en Spanje, in dienst getreden tegen een loon van laatstelijk € 3.250 bruto per maand. Zij woont al lange tijd in België en is door werkgeefster aangetrokken om ook in België te gaan uitgeven, hetgeen ook is gebeurd. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat op deze het Nederlands recht van toepassing is en dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Op 14 juli 2023 is werkneemster wegens ziekte uitgevallen. Werkgeefster was op dat moment niet verzekerd voor loondoorbetaling bij ziekte. Eind augustus 2023 geeft werkgeefster werkneemster een officiële waarschuwing en stelt dat de arbeidsrelatie is verstoord en dat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden en de betaling van de transitievergoeding wordt opgezegd. Overleg over een oplossing mislukt. Op 19 oktober 2023 wordt werkneemster op staande voet ontslagen wegens (a) het plegen van fraude, (b) de ontvangst van onrechtmatige provisie, (c) het op vakantie gaan zonder daarvoor verlof aan te vragen en (d) het delen van vertrouwelijke bedrijfsinformatie en (e) disfunctioneren. Werkneemster betwist het ontslag op staande voet en verzoekt werkgeefster naast een aantal nevenvorderingen te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 84.240 bruto, de gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding. Werkgeefster is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet van 19 oktober 2023 niet rechtsgeldig is. Bij de beoordeling van het ontslag op staande voet worden (uitsluitend) betrokken de ontslagredenen die in de ontslagbrief worden genoemd en niet de naderhand nog gebleken gedragingen van de werkneemster. In dit geval zijn de ontslagredenen uit de brief van 19 oktober 2023 deels niet voldoende komen vast te staan. En voor het overige leveren die ontslagredenen geen dringende reden voor ontslag op staande voet op. Ook andere kwesties kunnen het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen, omdat die niet in de ontslagbrief staan vermeld. Alleen de gestelde fraude zou mogelijk het ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen. Werkneemster betwist de(ze) fraude. Daarom moet werkgeefster stellen en zo nodig bewijzen dat de fraude op het moment van het ontslag op staande voet aanwezig was. De kantonrechter is van oordeel dat de betreffende beschuldiging van fraude (en de enige beschuldiging van fraude die bij het ontslag als reden is gegeven) ongegrond is en daarom het ontslag op staande voet niet kan rechtvaardigen. Als het disfunctioneren al vast zou komen te staan, dan kwalificeert ook dat naar het oordeel van de kantonrechter niet als een dringende reden. De kantonrechter verklaart voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden en dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst daarom ten onrechte op 19 oktober 2023 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Naast onder meer de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding wordt werkgeefster veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.000 bruto. Ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoeding heeft de kantonrechter rekening gehouden met de relatief hoge leeftijd van werkneemster (zij is met haar 62-jarige leeftijd nog drie jaar verwijderd van de pensioengerechtigde leeftijd in België), de duur van het dienstverband (ruim 8 jaar) en de ernst van het verwijtbaar handelen van werkgeefster.