Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 februari 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:983
Kort geding. Vordering tot schorsing non-concurrentiebeding en tot terugbetalen verrekende studiekosten. Kantonrechter wijst vorderingen af. Werknemer schendt het concurrentiebeding. Belangenafweging valt in nadeel werknemer uit. Niet aannemelijk dat werknemer noodzakelijke opleiding heeft gevolgd. Verrekening studiekosten niet in strijd met goed werkgeverschap.

Feiten

Werknemer is op 2 januari 2019 als productontwikkelaar in dienst getreden bij werkgeefster, een bedrijf met 40 medewerkers dat gespecialiseerd is in vloeren, in het bijzonder kunststof vloersystemen en coatings. In de arbeidsovereenkomst zijn een non-concurrentiebeding, relatie- en geheimhoudingsbeding en een onkostenbeding opgenomen. Vanaf maart 2021 verricht werknemer de functie van plantmanager tegen een salaris van € 5.375 bruto per maand voor 36 uur per week. Werknemer is in die functie verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding van de afdelingen bedrijfsbureau (inkoop & planning), R&D, KAM (Kwaliteit, Arbo & Milieu) en productie, met in totaal ongeveer 20 medewerkers. Werknemer is in oktober 2023 benaderd voor de functie van plantmanager bij een andere werkgever. Hij heeft op deze functie gesolliciteerd, waarna hem voor de functie van plantmanager een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangeboden, tegen een salaris van  € 6.011,52 bruto per maand voor 36 uur per week. Werknemer heeft vervolgens zijn arbeidsovereenkomst met werkgeefster opgezegd per 1 januari 2024 en gemeld bij welk bedrijf hij in dienst wil treden. Werkgeefster houdt werknemer aan het concurrentiebeding omdat het bedrijf als directe concurrent wordt gezien. Ook geeft zij aan dat werknemer nog studiekosten is verschuldigd, welke bij de eindafrekening zijn verrekend. Werknemer verzoekt (gehele of gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding en terugbetaling van de ingehouden studiekosten. Werknemer stelt dat werkgeefster geen rechtens te beschermen belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Werkneemster en de nieuwe werkgeefster zijn geen concurrenten en hij is als plantmanager bij werkgeefster niet op de hoogte van essentiële informatie of unieke werkprocessen en strategieën. Werkgeefster stelt dat werknemer door zijn werk bij haar veel kennis heeft van bedrijfsgevoelige informatie, waardoor zij groot belang heeft om hem aan zijn concurrentiebeding te houden. Verder is de nieuwe werkgever actief in de vloercoatings.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat werknemer door indiensttreding bij de nieuwe werkgever het concurrentiebeding schendt. Werkgeefster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrijf zich op dezelfde markt als zijzelf begeeft. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter valt de belangenafweging in het nadeel van werknemer uit. Werkgeefster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer over bedrijfsgevoelige informatie van haar beschikt, zoals over de recepturen van de producten, de leveranciers die de grondstoffen kunnen leveren en tegen welke prijzen en de machines die werkgeefster gebruikt om haar producten te maken. Werknemer heeft deze kennis niet betwist. Werknemer stelt echter dat hij niet alle recepturen uit zijn hoofd kent en dat deze kennis over de producten van werkgeefster al beschermd worden door het geheimhoudingsbeding. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiser onvoldoende aangetoond dat hij onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding. Het is daarom voorshands niet aannemelijk geworden dat de rechter in de bodemprocedure het beding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen: de gevraagde voorziening wordt afgewezen. De vordering betreffende de door werkgeefster gestelde verplichting tot terugbetaling van studiekosten, die zij heeft verrekend met de eindafrekening en dus een betalingsvordering van ten onrechte ingehouden loon, kan in kort geding worden beoordeeld. De kantonrechter volgt werknemer niet in zijn stelling dat de verrekening betrekking heeft op kosten van opleidingen of cursussen die noodzakelijk waren voor de uitoefening van zijn functie als bedoeld in artikel 7:611a lid 1 BW. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.