Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 11 maart 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:1161
Feiten
Werknemer is een 30-jarige vluchteling afkomstig uit Oekraïne die na de uitbraak van de oorlog daar is gevlucht naar Nederland. Hij is de Nederlandse taal niet machtig; de Engelse taal is hij (enigszins) machtig. Op 1 maart 2023 is werknemer als kok voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Friends In Hospitality B.V. (hierna: FIH) voor 38 uur per week tegen een salaris van € 2.680,40 bruto per maand. Op 25 september 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer en zijn leidinggevende waarin werknemer heeft gezegd dat hij samen met zijn collega bij een vriend gaat werken. Afgesproken werd dat de werkzaamheden zouden eindigen op 30 september 2023. Later is tussen partijen afgesproken dat het werk nog enkele weken langer duurt. In een op 30 september 2023 door werknemer gestuurd Whatsappbericht heeft werknemer zijn leidinggevende gemeld dat hij en zijn collega vanaf 'morgen' niet meer bij FIH zullen werken. De leidinggevende heeft werknemer er vervolgens op gewezen dat er een opzegtermijn geldt en dat hij en zijn collega niet zomaar kunnen stoppen. In een brief van 6 november 2023 heeft FIH aan werknemer medegedeeld dat hij een aantal min-uren heeft opgebouwd en dat dit daarom (volledig) is verrekend met het salaris van september 2023. (De gemachtigde van) werknemer heeft bij brief van 13 november 2023 de vernietiging van de opzegging ingeroepen, omdat hij zijn overeenkomst niet heeft opgezegd en/of rondom deze opzegging heeft gedwaald nu FIH hem niet op de financiële gevolgen van de opzegging heeft gewezen in het kader van de WW. In onderhavige procedure verzoekt werknemer de kantonrechter voor recht te verklaren dat zijn opzegging nietig is, FIH te veroordelen tot betaling van het salaris vanaf september 2023, vermeerderd met overige emolumenten, wettelijke verhoging en wettelijke rente, en FIH te veroordelen aan hem loonspecificaties vanaf september 2023 te verschaffen. FIH verzoekt daarentegen voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst door de opzegging van werknemer is geëindigd. Voorwaardelijk verzoekt FIH de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De opzegging van werknemer is niet nietig, omdat van strijd met de goede zeden of openbare orde ex artikel 3:40 lid 1 BW geen sprake is. Ook van strijd met een dwingende wetsbepaling is geen sprake. De kantonrechter oordeelt dat werknemer niet consistent is in zijn betoog en dat hij wel degelijk zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 oktober 2023. Nu partijen overeenstemming hadden over het gegeven dat het werk na 30 september 2023 nog enkele weken langer zou duren, is onnavolgbaar dat werknemer zich op het standpunt stelt dat zijn arbeidsovereenkomst op 30 september 2023 zou eindigen. Dat werknemer die berichten niet begreep omdat hij de Engelse taal onvoldoende machtig is, is niet gebleken. Het beroep op dwaling slaagt tot slot niet, omdat dwaling alleen kan leiden tot vernietiging van de opzegging en niet tot nietigheid. Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW hoe dan ook geen sprake is, omdat werknemer had medegedeeld bij een vriend te gaan werken en FIH in die context niet wist of had moeten weten dat werknemer dwaalde omtrent zijn recht op een WW-uitkering. De arbeidsovereenkomst is daarom door opzegging geëindigd per 1 oktober 2023. Derhalve is alleen loon over de maand september 2023 verschuldigd. Nu werknemer de opgebouwde min-uren niet heeft betwist, is hij deze aan FIH verschuldigd. Wel heeft FIH ten onrechte het gehele bedrag met het salaris van september 2023 verrekend, omdat zij geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. FIH wordt veroordeeld tot betaling van het salaris over de maand september 2023 met inachtneming van de beslagvrije voet, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.