Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 maart 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:1673
Feiten
Werkverschaffer 2 is op 5 oktober 2020 opgericht door onder andere de persoonlijke holding van werker. Werker is blijkens het handelsregister algemeen directeur bij werkverschaffer 2. Werkverschaffer 1 is in december 2020 opgericht door onder andere de persoonlijke holding van werker, waarbij uit de statuten blijkt dat voornoemde holding mede tot bestuurder is benoemd van werkverschaffer 1. Werker heeft zich via een persoonlijke holding met een managementovereenkomst verbonden aan werkverschaffer 1 op 22 januari 2021. Daarbij is afgesproken dat werker door middel van diens persoonlijke holding managementdiensten voor werkverschaffer zou verrichten. Werker ontving hiervoor een bedrag van € 8.000 bruto per maand. Er is op twee separate AVA’s van beide werkverschaffers op 4 en 18 december 2023 besloten tot ontslag van werker als statutair bestuurder dan wel algemeen directeur. Werker is op beide AVA’s niet verschenen. Werkverschaffer 1 heeft werker bij brieven van 22 december 2023 op de hoogte gesteld van de beëindiging van de managementovereenkomst. Werker verzoekt de kantonrechter in zijn verzoekschrift voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Werker legt - samengevat - aan zijn verzoek ten grondslag dat hij voor werkverschaffer 1 dan wel 2 werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Hij stelt dat hij op 10 november 2023 op staande voet is ontslagen en dat dit ontslag niet rechtsgeldig was. Werkverschaffer voert verweer.
Oordeel
De kantonrechter zal hierna beoordelen of tussen werker en werkverschaffer 2 dan wel werkverschaffer 1 een gezagsverhouding heeft bestaan die tot de conclusie zou moeten leiden dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Dat is voldaan aan de elementen ‘loon’ en ‘het verrichten van arbeid gedurende zekere tijd’ is niet in geschil. Hieronder worden de meest in het oog springende gezichtspunten behandeld.
Aard en duur werkzaamheden
Werker vormde samen met zijn medebestuurders het management team/bestuur van werkverschaffer 1 en was als CCO eindverantwoordelijk voor het sales- en marketingteam.
De wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald
Het zelf bepalen van werktijden vormt in deze zaak geen onderscheidend criterium. Verder staat vast dat er geen functioneringsgesprekken met werker zijn gehouden en dat hij geen instructies ontving. Voorts blijkt uit e-mailcorrespondentie een gelijkwaardige manier van communiceren tussen de bestuurders. Dat werker gaandeweg werd overruled door zijn medebestuurders is ook mogelijk in een gelijkwaardige bestuurdersrelatie.
De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding tussen partijen tot stand is gekomen
Vast staat dat partijen zich hebben laten adviseren door een belastingadviseur over de juridische en fiscale consequenties van het aangaan van de managementovereenkomsten en dat werker zelf vanaf de oprichting van zijn persoonlijke holding een financieel adviseur in de arm heeft genomen die tot op heden verantwoordelijk is geweest voor de financiële administratie van zijn holding.
De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd
Vast staat dat werker zijn management fee via zijn holding factureerde en daarbij btw in rekening bracht. Er werden geen premies en belastingen ingehouden en afgedragen. Hij was zelf verantwoordelijk voor de afdrachten en pensioenopbouw.
De hoogte van de beloningen
Het feit dat werker een lagere management fee ontving dan zijn medebestuurders hield verband met het aantal relaties die werden aangebracht door de bestuurders. Ook de hoogte van de vergoeding van werker ten opzichte van werknemers bij werkverschaffer 1 voor vergelijkbare werkzaamheden vormt geen aanwijzing dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, nu werker zou meedelen in de winst bij verkoop van de onderneming, zodat zijn beloning onderdeel uitmaakt van het ondernemersrisico.
In het economisch verkeer als ondernemer gedragen
Werker was als algemeen directeur van werkverschaffer 1 alleen en zelfstandig bevoegd en heeft zich zowel intern als extern gedragen als ondernemer en oprichter van werkverschaffer 1.
Conclusie
De kantonrechter is van oordeel dat in een situatie als deze, waarin sprake is van een professional die welbewust ondernemer is geworden en binnen de onderneming een hoge positie bekleedt, de criteria in de richting van een overeenkomst van opdracht wijzen. Het verzoek wordt afgewezen.