Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 26 maart 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:3036
Verstek. Gelet op de beschikking in de ontbindingsprocedure gaat de kantonrechter er in dit kort geding van uit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot 1 maart 2024 heeft bestaan. Dat brengt met zich dat de werknemer tot die datum recht heeft op loon.

Feiten

Werknemer is op 19 juli 2021 voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker, met een salaris van € 2.728,73 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. De arbeidsomvang is volgens de overgelegde loonstrook 38 uur per week. De cao voor het Metaalbewerkingsbedrijf is van toepassing. Op 13 februari 2023 is werknemer op staande voet ontslagen. Bij beschikking van 12 januari 2024 heeft de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigd en op verzoek van werkgever de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2024 ontbonden. Het verzoek van werknemer om het loon over februari 2023 te betalen, is toegewezen. Werknemer vordert dat werkgever bij wijze van voorlopige voorziening veroordeeld zal worden tot betaling van het loon over februari 2023 tot en met februari 2024 (€ 2.728,73 bruto per maand), te vermeerderen met 8% vakantiegeld en de loonsverhoging conform de cao van 3,25% met ingang van 1 maart 2023 en 0,6% met ingang van 1 januari 2024. Ook vordert hij afgifte van de bijbehorende loonspecificaties. Tegen werkgever wordt verstek verleend.

Oordeel

De kantonrechter wijst de loonvordering grotendeels toe, omdat deze naar haar aard spoedeisend is, in deze procedure niet is betwist en niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Gelet op de beschikking in de ontbindingsprocedure gaat de kantonrechter er in dit kortgeding van uit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot 1 maart 2024 heeft bestaan. Dat brengt met zich dat werknemer tot die datum recht heeft op loon. Werknemer heeft ter zitting verklaard dat hij tot 1 april 2023 arbeidsongeschikt was en per die datum volledig was hersteld en in staat was om zijn werk te verrichten. De kantonrechter wijst daarom het achterstallige loon van 1 maart 2023 tot en met het einde van de ziekteperiode op 31 maart 2023 toe tot 90% van het overeengekomen brutoloon, vermeerderd met de cao-loonsverhoging van 3,25% en de vakantietoeslag. Vanaf 1 april 2023 tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2024 is werkgever op grond van artikel 7:628 BW het volledige brutoloon (inclusief de cao-verhogingen en vakantietoeslag) verschuldigd. Nu werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het loon over de maanden maart 2023 tot en met februari 2024, is hij ook verplicht aan werknemer de bruto/nettosalarisspecificaties over deze maanden te verstrekken, zodat werkgever daartoe zal worden veroordeeld.