Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ werkgeefster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 26 maart 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:465
Werkgeefster, een kinderopvangorganisatie, kan geen aanspraak maken op betaling van door werkneemster onbetaald gelaten facturen over de opzegtermijn van de opvangovereenkomsten van haar kinderen. Het opzegbeding in die overeenkomsten is oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG.

Feiten

Werkneemster is op 1 december 2020 in dienst getreden van werkgeefster als pedagogisch medewerkster. Eveneens met ingang van 1 december 2020 heeft werkneemster ten behoeve van haar drie kinderen drie overeenkomsten voor opvang bij het kinderdagverblijf van werkgeefster gesloten. In twee van de drie overeenkomsten staat het volgende: “De opzegtermijn voor het beëindigen van de opvang van het geplaatste kind bedraagt voor beide partijen 1 maand bedraagt. De opzegging dient per de eerste of de 16e van de maand schriftelijk te gebeuren”. Er zijn drie betalingen overgemaakt van de bankrekening van werkgeefster aan X en Y, met vermelding ‘Geleend’. Werkneemster is op 8 juli 2021 op staande voet ontslagen. Bij e-mail van 9 juli 2021 heeft werkneemster de kinderopvangovereenkomsten opgezegd. Werkneemster heeft de facturen voor de kinderopvang over de maand juli 2021 niet betaald. Werkneemster heeft in eerste aanleg onder andere verzocht om betaling van een transitievergoeding, billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kanontrechter heeft de vorderingen (grotendeels) toegewezen. Het zelfstandig verzoek van werkgeefster tot betaling van de kinderopvangkosten en te veel betaald loon heeft de kantonrechter verwezen naar de dagvaardingsprocedure en in die procedure zijn de vorderingen uiteindelijk toegewezen. Werkneemster komt tegen dit vonnis op.

Oordeel

Het hof oordeelt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat de nationale rechter ambtshalve moet toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst oneerlijk is in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG. Het hof komt tot het oordeel dat in dit geval sprake is van een oneerlijk beding in de kinderopvangovereenkomsten, nu als gevolg van het opzegbeding bij de opzegging de maximaal toegestane opzegtermijn van een maand wordt overschreden. Naar het oordeel van het hof moet het opzegbeding daarom buiten toepassing blijven en kan werkgeefster geen aanspraak maken op een vergoeding over de opzegtermijn en de eigen bijdrage voor de maand augustus 2021. Het hof is verder van oordeel dat werkgeefster onvoldoende verweer heeft gevoerd tegen het standpunt van werkneemster dat geen sprake is van ‘leningen’, in het bijzonder ten aanzien van het verweer dat de geldbedragen kort na ontvangst in zijn geheel zijn opgenomen en contant aan werkgeefster zijn terugbetaald. Ook ten aanzien van de door de FIOD in het proces-verbaal geconstateerde praktijk van overboekingen onder de vermelding van “Geleend” en het vermoeden van contante betalingen aan opvangouders in verband met mogelijke fraude, heeft werkgeefster behalve dat dit “niet waar” is, verder niets meer gesteld. De vorderingen van werkgeefster worden afgewezen.