Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14 november 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:7675
Feiten
Werkneemster is in dienst van werkgeefster. De kantonrechter heeft bij beschikking van 5 april 2023 werkgeefster veroordeeld tot het na- en doorbetalen aan werkneemster van 70% van haar gebruikelijke salaris en emolumenten vanaf 27 september 2022 tot 1 juni 2023, vermeerderd met de wettelijke verhoging tot een maximum van 50%. Daarnaast is werkneemster in de gelegenheid gesteld om bij akte een aangepaste berekening van haar tegenverzoek tot nabetaling van het achterstallige salaris en ziekengeld over de periode van 2019 tot en met februari 2023 in te dienen met inachtneming van de in de beschikking vermelde uitgangspunten. Werkneemster heeft die berekening ingediend; werkgeefster heeft in haar akte bezwaren geuit tegen die berekening en een eigen berekening ingebracht. Werkneemster heeft vervolgens haar berekening op enkele punten aangepast, waardoor haar berekening nu uitkomt op een bedrag van € 31.536,63 bruto en op € 32.457,70 bruto inclusief de uitbetaling van PBL-uren. Zij heeft haar berekening met loonstroken en urenstaten onderbouwd.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat beide partijen zich hebben ingespannen een berekening te maken van het achterstallige salaris en ziekengeld over de periode van 2019 tot en met februari 2023. Op basis van de overgelegde berekeningen kan de kantonrechter echter geen eenduidig bedrag vaststellen. Verder blijkt uit de aktes dat partijen de tussenbeschikking verschillend uitleggen ten aanzien van de verplichting van werkgeefster om het salaris van werkneemster tot 1 juni 2023 door te betalen. De kantonrechter wijst erop dat werkgeefster op grond van rechtsoverweging 6.10 van deze beschikking is veroordeeld tot het na- en doorbetalen aan werkneemster van 70% van haar gebruikelijke salaris en emolumenten vanaf 27 september 2022 tot 1 juni 2023, vermeerderd met de wettelijke verhoging tot een maximum van 50%. De door werkgeefster gestelde omstandigheden dat de loondoorbetalingsverplichting op 20 februari 2023 is geëindigd, dat het UWV geen loonsanctie heeft opgelegd en dat werkneemster het UWV niet om een voorschot op de WIA-uitkering heeft gevraagd, maken dit niet anders. De kantonrechter acht het ter voorkoming van verdere geschillen wenselijk een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen. Werkgeefster wordt opgedragen om op eigen kosten een berekening op te laten stellen door een deskundige op het gebied van loonberekeningen op grond van de cao Gehandicaptenzorg van het verschuldigde salaris van 2019 tot 1 juni 2023. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.