Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 april 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:3276
Feiten
Werkneemster is sinds 3 september 2018 bij Van Leeuwen Schoonmaak B.V. (VLS) in dienst als interieurverzorgster. Op 9 oktober 2020 heeft volgens werkneemster een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Volgens werkneemster zijn de liftdeuren meerdere keren tegen haar aan gekomen toen zij achterwaarts de lift verliet met haar schoonmaakkar. Daardoor zou zij letsel hebben opgelopen, in elk geval aan haar hand. Op 27 mei 2021 heeft werkneemster VLS aansprakelijk gesteld voor het door haar opgelopen letsel. VLS heeft geen aansprakelijkheid erkend. Werkneemster vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat VLS aansprakelijk is voor de schade die zij door het bedrijfsongeval op 9 oktober 2020 stelt geleden te hebben en nog zal lijden. Ook vordert zij een verklaring voor recht dat Starr (als verzekeraar van VLS) die schade aan haar moet vergoeden.
Oordeel
Werkneemster baseert haar vordering jegens VLS op artikel 7:658 BW. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat werkneemster schade heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden voor VLS.
Nog niet duidelijk of VLS aan haar zorgplicht heeft voldaan
De kantonrechter oordeelt dat de zorgplicht van VLS niet inhoudt dat zij haar werknemers moet instrueren om de lift niet achterwaarts te verlaten in verband met het risico van (onverwacht) dichtgaande deuren. Dit is een zo algemeen (bekend) risico dat van iedere gebruiker van een lift mag worden verwacht dat hij daarop bedacht is en dus zelf de nodige oplettendheid in acht neemt. VLS hoefde daarom geen algemene maatregelen te nemen in verband met het gebruik van de lift door hiervoor specifieke instructies te geven of te waarschuwen. Voor zover werkneemster haar vordering heeft gebaseerd op de stelling dat VLS vanwege het ontbreken van een algemene (voortdurende, herhaalde) instructie en/of waarschuwing niet aan haar zorgplicht heeft voldaan, is de vordering niet toewijsbaar. Van een schending van de zorgplicht kan wel sprake zijn als er eerder en met name in de periode direct voorafgaand aan het ongeval problemen met de lift zijn geweest, zoals werkneemster heeft gesteld. De kantonrechter kan op basis van de door partijen overgelegde stukken echter niet vaststellen of sprake was van eerdere (recente) problemen met de liftdeuren die maken dat zo’n waarschuwing op zijn plaats was. De verklaringen die werkneemster heeft overgelegd leveren dat bewijs niet, omdat daaruit alleen blijkt dat er eerder weleens problemen zijn geweest, maar niet hoe frequent die waren en ook niet dat dit in de periode direct voorafgaand aan het ongeval aan de orde was. Werkneemster heeft er wel op gewezen dat er een logboek moest worden bijgehouden door de medewerkers van VLS. Uit dit logboek zou moeten blijken of er eerder problemen met de lift waren. Omdat werkneemster niet over dit logboek beschikt, maar VLS wel, is het aan VLS om haar stelling dat geen sprake was van problemen met de lift voldoende te onderbouwen door inzage te geven in de gegevens in het logboek. De kantonrechter zal VLS opdragen om die gegevens alsnog bij akte in het geding te brengen. Werkneemster mag daar dan vervolgens op reageren.