Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 maart 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:2374
Na opzegging arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid verzoekt werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, subsidiair om schadevergoeding, wegens het handelen van werkgever, onder meer vanwege de inzet van een recherchebureau tijdens ziekte. De gevraagde vergoedingen worden afgewezen.

Feiten

Werknemer is in 2019 in dienst getreden van werkgeefster, als eerste monteur. Zijn laatstgenoten loon bedraagt € 4.322,69 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Werknemer had al vóór zijn indiensttreding een eenmanszaak (onderneming 1). In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is bepaald dat het werknemer uitdrukkelijk is toegestaan naast de werkzaamheden bij werkgeefster een eigen bedrijf (onderneming 2) uit te oefenen. Daarbij is aangetekend dat werkzaamheden voor onderneming 2 de werkzaamheden voor werkgeefster nimmer zullen hinderen of schaden. In juli 2021 heeft werknemer zich ziekgemeld. Hij is in december 2021 gestart met aangepaste arbeid, voor twee keer twee uur per week. Per 17 januari 2022 omvatten de re-integratiewerkzaamheden twee keer drie uur per week. Op 23 februari 2022 heeft werkgeefster aan een recherchebureau opdracht gegeven voor een observatieonderzoek naar werknemer. De reden hiervoor was het gerucht dat hij gedurende zijn arbeidsongeschiktheid elders werkzaam was. Per 7 maart 2022 is werknemer weer volledig uitgevallen na een incident op de werkvloer. Het recherchebureau heeft in zijn onderzoeksrapport van 4 april 2022 geconcludeerd dat er in de periode van 2 maart 2022 tot en met 1 april 2022 niet(s) is gebleken dat werknemer ziek is. Het recherchebureau stelt vast dat werknemer met zijn eigen bedrijf werkzaamheden verricht en dat hij veelvuldig met voertuigen rijdt van zijn woonadres naar een garage. De observaties laten volgens het recherchebureau niets te vragen over. Werknemer heeft in april 2022 het onderzoeksrapport ontvangen, nadat hij het verzoek voor een gesprek over de re-integratie om hem moverende redenen heeft afwezen en de bedrijfsarts heeft geadviseerd partijen in gesprek te laten gaan met een onafhankelijke bemiddelaar. Partijen bereiken geen oplossing. In augustus 2023 beslist het UWV op de WIA-aanvraag: werknemer is minder dan 35% arbeidsongeschikt en werkgeefster heeft voldoende aan de re-integratie gedaan. Na verkregen toestemming van het UWV heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 december 2023. Werknemer verzoekt primair een verklaring voor recht dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt een billijke vergoeding van € 62.086 bruto. Subsidiair verzoekt werknemer een verklaring voor recht dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld en derhalve aansprakelijk is voor de schade.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door werkgeefster en er dus geen aanleiding is om een billijke vergoeding toe te kennen. Daarbij heeft de kantonrechter in zijn oordeel betrokken: (a) zijn de re-integratieafspraken geschonden?, (b) is er sprake van een onveilige werkomgeving?, (c) heeft werkgeefster niet adequaat gehandeld nadat werknemer had geklaagd over een onveilige werkomgeving?, (d) is de inzet van het recherchebureau een buitenproportionele maatregel? en (e) heeft werkgeefster aangestuurd op een vertrouwensbreuk? Ten aanzien van de stelling dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld overweegt de kantonrechter het volgende. Voor wat betreft de inschakeling van het recherchebureau is weliswaar overwogen dat werkgeefster onzorgvuldig heeft gehandeld door niet eerst het gesprek aan te gaan over de geruchten over de werkzaamheden die werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid elders zou verrichten, maar daaruit volgt niet dat zij het recherchebureau in het geheel niet had mogen inschakelen en dat daarmee sprake is een onrechtmatige daad, dan wel is gehandeld in strijd met goed werkgeverschap. Ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen. Werkgeefster wordt wel veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het bedrag aan niet opgenomen vakantiedagen.