Naar boven ↑

Rechtspraak

gewezen werknemers/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 april 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:2472
Dienstjaren bij verschillende zelfstandige bestuursorganen tellen mee voor berekening transitievergoeding nu sprake is van een toezegging.

Feiten

Tussen partijen geldt geen aparte schriftelijke pensioentoezegging of pensioenovereenkomst. Er is ook geen schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin naar een pensioenregeling wordt verwezen. Omdat de activiteiten van werkgever vallen onder de werkingssfeeromschrijving van de verplichtstellingsbeschikking van pensioenfonds 1, wordt op grond van artikel 2 lid 2 sub a PW de verplichtstelling met de pensioenovereenkomst gelijkgesteld. Gedurende de periode vanaf 1 juli 1982 tot 1 januari 2007 waarin werkgever dispensatie had gekregen van deelname aan de pensioenregeling van pensioenfonds 1, waren op de werknemers van werkgever de pensioenreglementen van toepassing die werkgever met pensioenfonds 2 was overeengekomen en wordt ervan uitgegaan dat de pensioentoezegging van werkgever in deze pensioenreglementen is vervat. Tussen partijen is niet in geschil dat de indexatieregeling van artikel 16 van het Pensioenreglement deel uitmaakt van de pensioentoezegging van partijen. In dit artikel is bepaald dat de pensioenen van gepensioneerden en slapers zullen worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 25 van het pensioenreglement van het pensioenfonds 1. In dit artikel 25 is - kort samengevat - bepaald dat ingegane pensioenen en premievrije aanspraken jaarlijks worden geïndexeerd indien en voor zover de financiële middelen dat naar het oordeel van het bestuur toelaten.

De pensioentoezegging van werkgever houdt derhalve in dat gepensioneerden en slapers een indexatieperspectief wordt geboden dat afhankelijk is van en tevens gelijk is aan het oordeel van een derde partij (het bestuur van het pensioenfonds 1). Indien het bestuur van het pensioenfonds 1 periodiek (jaarlijks) besluit tot toepassing van een bepaalde indexering, dient werkgever dat besluit in de eigen pensioenregeling te volgen en een overeenkomstige indexering toe te kennen. Het gaat hier dus om een voorwaardelijke pensioenaanspraak.

Indexeringen

Werkgever heeft de pensioenaanspraken die werknemer in de pensioenregeling van pensioenfonds 2 heeft opgebouwd (hierna: de pensioenfonds 2-pensioenaanspraken) tot 1 januari 2022 geïndexeerd met de percentages waarmee pensioenfonds 1 de bij hem opgebouwde pensioenen heeft geïndexeerd. Blijkens een overzicht dat werknemers in het geding hebben gebracht varieerden de indexaties voor pensioengerechtigden en slapers in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2022 van 0,00% tot 2,52%. De gemiddelde indexatie was in die periode 0,52%. De regels voor het toekennen van indexatie zijn recentelijk in verband met de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) versoepeld en dit is voor pensioenfonds 1 aanleiding geweest om per 1 januari 2022 hogere indexaties op de pensioenen van pensioengerechtigden en slapers toe te passen, namelijk per 1 januari 2022 met 1,76%, per 1 juli 2022 met 0,79% en per 1 januari 2023 met 14,52%. Werkgever vond deze laatste indexaties te hoog en heeft daarom de CBSI-overeenkomst die hij ter uitvoering van artikel 16 van het Pensioenreglement met pensioenfonds 1 had gesloten per 1 januari 2022 opgezegd. Hij heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat hij ook de indexatieregeling met toepassing van artikel 17 lid 2 van het Pensioenreglement eenzijdig heeft beëindigd, zodat werknemers hieraan geen aanspraak tot indexatie meer kunnen ontlenen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. 

Volledige stopzetting voorwaardelijke indexatie pensioenen voor gewezen werknemers in strijd met nawerkend goed werkgeverschap

De kantonrechter is van oordeel dat artikel 7:611 BW na het einde van de arbeidsovereenkomst nog steeds tussen partijen nawerkt. Dat volgt uit het ECN-arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR2013:CA0566), waarin in r.o. 3.4.2 is geoordeeld dat indien sprake is van pensioenaanspraken, het einde van de arbeidsovereenkomst meebrengt dat de rechtsverhouding tussen partijen, zij het met gewijzigde hoedanigheid van partijen, wordt voortgezet in de pensioenovereenkomst. De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat artikel 7:611 BW van toepassing is op de pensioenovereenkomst als onderdeel van de arbeidsovereenkomst, ook nadat de arbeidsovereenkomst voor het overige is geëindigd. Omdat de toetsingsnorm van artikel 19 PW en artikel 7:613 BW enerzijds en artikel 7:611 BW anderzijds materieel gezien op hetzelfde neerkomt, zal de kantonrechter bij de beoordeling en de belangenafweging in aanmerking nemen wat werkgever in het kader van de toepassing van artikel 19 PW heeft aangevoerd.

De kantonrechter is van oordeel dat werkgever zijn stelling dat zijn financiële draagkracht onvoldoende is om de pensioenfonds 2-pensioenaanspraken vanaf 1 januari 2022 nog op enigerlei wijze te kunnen indexeren, naar aanleiding van de betwisting door werknemers onvoldoende nader heeft onderbouwd. Het (eenzijdig doorgevoerde) voorstel om het indexatieperspectief volledig weg te nemen heeft een alles-of-nietskarakter waarvan de redelijkheid zonder gedegen onderbouwing niet valt in te zien. Die onderbouwing heeft werkgever niet geboden. Dat in ieder geval enig indexatieperspectief moet blijven bestaan, ligt namelijk zozeer voor de hand dat het voorstel van werkgever tot het volledig terzijde stellen van de indexatie niet is te beschouwen als een redelijk voorstel. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat werknemers belang hebben bij indexatie, omdat de inflatie hoog is (geweest) en de reële waarde van de pensioenfonds 2-pensioenaanspraken daarom is afgenomen. Gesteld noch gebleken is dat bij een aangepaste indexatie nog steeds de gestelde maar betwiste financiële problemen voor werkgever bestaan. Dat dit het geval is, ligt niet voor de hand, omdat werkgever in het verleden ook (kennelijk) probleemloos indexaties heeft doorgevoerd.

Werknemers hoeven het voorstel van werkgever tot volledige beëindiging van de indexatieregeling daarom niet als goed werknemer te accepteren. Werknemers hebben daarmee aanspraak op nakoming van de met hen gemaakte afspraak zoals neergelegd in artikel 16 van het Pensioenreglement.