Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Antonius Zorggroep/werkneemster
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 8 mei 2024
ECLI:NL:RBNNE:2024:1856
Werkgeefster die werkneemster geen gelegenheid heeft geboden te re-integreren in het eerste spoor handelt ernstig verwijtbaar. Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op de g-grond. Werkneemster wordt een billijke vergoeding toegekend van € 443.916 bruto.

Feiten

Sinds 1 september 2018 is werkneemster in dienst van Stichting Antonius Zorggroep (hierna: Antonius) in de functie van klinisch chemicus voor 32 uur per week. Met werkneemster zijn nooit functioneringsgesprekken gevoerd; wel hebben samenwerkingsgesprekken plaatsgevonden. Op 16 december 2020 heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen werkneemster en de medisch coördinator waarbij de medisch coördinator levende irritaties heeft geuit over zijn samenwerking met werkneemster. Op 1 februari heeft de clustermanager tijdens een gesprek met werkneemster aangegeven dat voor hem en de andere MT-leden een grens is bereikt en dat voor werkneemster een verbetertraject zal worden ingezet met als doel dat er vanuit onderling vertrouwen weer prettig kan worden gewerkt op de werkvloer. Op 4 februari 2021 heeft werkneemster zich ziekgemeld als gevolg van overbelasting/burn-out. De bedrijfsarts heeft in maart 2021 vastgesteld dat de beperkingen deels zijn voortgevloeid uit een verstoorde arbeidsverhouding en deels uit ziekte (zware depressie). Van augustus tot en met december 2021 hebben mediationgesprekken plaatsgevonden. In december 2021 heeft Antonius een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met welk voorstel werkneemster niet heeft ingestemd. Daarna heeft een ontbindingsprocedure plaatsgevonden. De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van Antonius afgewezen, omdat werkneemster volgens de kantonrechter de gelegenheid moest krijgen om verder te werken aan herstel. Antonius is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan. Op 23 november 2022 heeft de bedrijfsarts geadviseerd de WIA-keuring en het hoger beroep af te wachten, omdat duidelijk was dat het MT een terugkeer van werkneemster niet zag zitten. Eveneens op 23 november 2022 heeft het gerechtshof in haar beschikking de verzochte ontbinding afgewezen wegens het van toepassing zijn van het opzegverbod bij ziekte. Op 2 januari 2023 heeft het UWV Antonius een loonsanctie opgelegd tot 2 februari 2024. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is afgewezen. Omdat bij meerdere pogingen tot re-integratie in de eigen werkzaamheden vanuit Antonius duidelijk werd gemaakt dat zij een terugkeer van werkneemster niet zag zitten, is vanaf juni 2023 ingezet op re-integratie in het tweede spoor. Op 9 januari 2024 heeft de bedrijfsarts werkneemster geheel hersteld beoordeeld en geadviseerd dat partijen opnieuw in gesprek met elkaar moeten gaan. Antonius heeft werkneemster echter laten weten dat het dienstverband zo spoedig mogelijk tot een einde moet komen. Per 2 februari 2024 heeft Antonius geen salaris meer betaald aan werkneemster. In de onderhavige procedure verzoekt Antonius de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden. Primair verweert werkneemster zich tegen de ontbinding en subsidiair verzoekt werkneemster om een billijke vergoeding van € 443.916 bruto, betaling van het achterstallig salaris en vergoeding van juridische kosten op grond van artikel 7:611 BW.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. De verstoorde arbeidsverhouding vindt haar basis in het ernstig verwijtbaar handelen van Antonius. Dat ernstig verwijtbaar handelen bestaat uit het feit dat Antonius niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan door structureel en tegen advies van de bedrijfsarts in niet mee te werken aan re-integratie in het eerste spoor. Daarnaast had naar het oordeel van de kantonrechter het initiatief om het arbeidsconflict op te lossen bij Antonius moeten liggen. Er is echter niet gebleken dat Antonius daartoe voldoende, adequate initiatieven heeft ontplooid. Na de betermelding van werkneemster mocht van Antonius als goed werkgeefster worden verwacht dat zij met werkneemster in gesprek ging en de eventuele mogelijkheden tot terugkeer onderzocht. Daar komt bij dat de kantonrechter het zeer kwalijk vindt dat Antonius is gestopt met de salarisbetaling. Dat werkneemster op dit moment geen arbeid verricht is namelijk enkel gelegen in de onwil van Antonius, zodat Antonius gehouden is het salaris vanaf januari 2024 te blijven betalen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2024. Werkneemster heeft recht op een transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024. Ook ziet de kantonrechter aanleiding om aan werkneemster de door haar verzochte billijke vergoeding van € 443.916 bruto, gelijk aan drie jaarsalarissen, toe te kennen. Daarbij is van belang dat de kantonrechter de kans groot acht dat werkneemster zonder het ernstig verwijtbaar handelen van Antonius nog geruime tijd in dienst zou zijn geweest bij Antonius. Verder acht de kantonrechter van belang dat Antonius niet heeft betwist dat de arbeidsmarkt voor klinisch chemici behoorlijk onder druk staat en het ontslag van werkneemster schade toebrengt aan haar goede naam en reputatie. Gelet hierop vindt de kantonrechter de drie verzochte jaarsalarissen passend. De kantonrechter houdt geen rekening met het feit dat Antonius als gevolg van de loonsanctie een jaar langer loon aan werkneemster heeft doorbetaald. Het feit dat zij een jaar langer heeft moeten doorbetalen tijdens ziekte is enkel aan haarzelf te wijten. De op grond van artikel 7:611 BW gevorderde vergoeding van juridische kosten wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Tot slot worden het gevorderde achterstallige salaris en de gevorderde reiskosten toegewezen. Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, krijgt Antonius de gelegenheid om het verzoek in te trekken.