Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 1 mei 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:3080
Werkgeefster en werknemer sluiten beëindigingsovereenkomst. Kort daarna blijkt werknemer terminaal ziek. Werknemer beroept zich op vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens dwaling. Die dwaling wordt aangenomen, maar komt voor rekening van werknemer.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 2017 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van salesmanager. Partijen hebben op 30 september 2021 een beëindigingsovereenkomst gesloten op grond waarvan werknemer uit dienst zou treden om een eigen bedrijf op te richten. In de overeenkomst is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2021 met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. Werknemer wordt daarnaast toegestaan klanten van werkgeefster te benaderen wanneer hij zijn eigen onderneming opricht na het einde van het dienstverband. Per 1 november 2021 is werknemer gestart met zijn eigen onderneming. Op 16 november 2021 is longkanker bij werknemer vastgesteld. Na de diagnose heeft werknemer zijn eigen onderneming gestaakt en heeft aan werkgeefster gevraagd de arbeidsovereenkomst te herstellen, wat werkgeefster heeft geweigerd. De gemachtigde van werknemer heeft de beëindigingsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd en werkgeefster verzocht werknemer met terugwerkende kracht in dienst te nemen met betaling van loon, wat werkgeefster heeft geweigerd. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat de beëindigingsovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd op grond van wederzijdse dwaling, en vordert loonbetaling vanaf 1 november 2021. Werknemer voert aan dat beide partijen er bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst van uit gingen dat werknemer gezond was, en dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet was gesloten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft aangevoerd dat werknemer niet aan de waarheidsplicht heeft voldaan door niet in de dagvaarding te vermelden dat hij vanaf 3 april 2023 aan de slag is gegaan als eigenaar van een onderneming. De kantonrechter verbindt daar geen rechtsgevolgen aan omdat werkgeefster niet in haar verdediging is geschaad. Omdat werknemer zich op dwaling beroept, rust op hem de stelplicht en bewijslast van de wederzijdse onjuiste voorstelling van zaken. Werkgeefster heeft niet betwist dat werknemer op het moment van het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst al leed aan longkanker. Partijen gingen bij het sluiten van de overeenkomst dus uit van een onjuiste veronderstelling over de gezondheid van werknemer. De verkeerde veronderstelling was van invloed op de inhoud van de overeenkomst omdat daarin was opgenomen dat werknemer tot en met eind 2024 werkzaamheden zou blijven uitvoeren voor een andere onderneming. Werkgeefster doet een beroep op de tenzij-bepaling van artikel 6:228 lid 1 onder c BW; werkgeefster stelt dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet hoefde te begrijpen dat werknemer de beëindigingsovereenkomst niet wilde sluiten omdat werknemer al langer aangaf een eigen bedrijf te willen beginnen. De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat eiser ook bij bekendheid met zijn ziekte een eigen bedrijf zou zijn gestart. Vervolgens is de vraag aan de orde of de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van werknemer behoort te blijven. De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheden rechtvaardigen dat de dwaling voor rekening van werknemer komt. Het beëindigen van de arbeidsovereenkomst heeft op initiatief van beide partijen plaatsgevonden. Daarnaast heeft werknemer advies ingewonnen bij een arbeidsrechtadvocate en een verzekeringsspecialist. Werknemer heeft aangegeven dat zijn grootste belang bij het vernietigen van de beëindigingsovereenkomst het voorkomen van het verlies van het recht op aanvullend weduwenpensioen voor zijn echtgenote is, zonder te verklaren waarom hij niet zelf een aanvullend pensioen heeft gesloten. Het eventueel vergoed worden van loonkosten door de verzekeraar acht de kantonrechter geen geldig argument voor het vernietigen van de beëindigingsovereenkomst omdat het dan ook bekostigd moet worden, maar door een derde. Werknemer komt geen beroep op dwaling toe. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.