Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 14 mei 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:4757
Feiten
Werkneemster is op 1 september 2023 bij werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst van 24 uur tegen een salaris van € 2.212,20 bruto per maand, exclusief emolumenten. Werkneemster was in dienst als lerares Nederlands, maar zij beschikte nog niet over de vereiste onderwijsbevoegdheid. Bij de sollicitatie is afgesproken dat werkneemster in januari 2024 het zij-instroomtraject voor het vak Nederlands (bij NCOI) zou gaan volgen om haar onderwijsbevoegdheid te behalen. Tijdens een gesprek op 13 november 2023 heeft werkneemster aan haar teamleider laten weten dat ze dit traject niet wilde volgen, maar wel interesse had in het zij-instroomtraject voor het vak muziek. Dit vak wordt echter niet aangeboden op de school van werkgever. Tijdens een gesprek van 17 november 2023 heeft werkneemster opnieuw kenbaar gemaakt af te zien van het zij-instroomtraject Nederlands. Op 19 november 2023 heeft werkneemster bij brief en e-mail bevestigd dat zij afziet van het zij-instroomtraject, en dat zij met werkgever de afspraak heeft gemaakt per 1 januari 2024 uit dienst te treden. In de weken daarna hebben partijen een ontslagbrief getekend. Werkneemster heeft omstreeks december 2023 vrijaf gekregen om te solliciteren. Bij e-mail van 13 december 2023 heeft werkneemster bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de ontslagbrief; er was volgens haar geen sprake van beëindiging op haar eigen verzoek, maar van beëindiging met wederzijds goedvinden. Na een mailwisseling tussen (gemachtigden van) partijen is geen overeenstemming bereikt over het aanpassen van de betwiste passage in de ontslagbrief. Werkneemster verzoekt de kantonrechter onder meer primair de opzegging te vernietigen dan wel voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst nog altijd voortduurt, en werkgever te veroordelen om werkneemster met ingang van 1 januari 2024 haar salaris te betalen. Uiterst subsidiair verzoekt werkneemster om een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd op 1 januari 2024.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Vast staat dat de beslissing om per 1 januari 2024 uit elkaar te gaan het resultaat is van het gesprek op 17 november 2023. Na ontvangst van de bevestigingsbrief van 19 november 2023 heeft werkgever bij e-mail van 20 november 2023 aan werkneemster per 1 januari 2023 ontslag verleend, waarna zij bij e-mail van 27 november 2023 en brief van 29 november 2023 binnen de school aan medewerkers en ouders heeft gecommuniceerd dat werkneemster ‘in goed/gezamenlijk overleg heeft besloten’ haar werkzaamheden bij de school stop te zetten en dat zij in dienst blijft tot 1 januari 2024. Uit geen van deze en ook niet uit andere stukken is gebleken dat de woorden ‘in (goed/gezamenlijk) overleg’ alleen zien op de einddatum. Gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken en gelet op de omstandigheid dat partijen wegens de) ontbrekende lesbevoegdheid van werkneemster ook niet anders konden dan het dienstverband beëindigen, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat de arbeidsovereenkomst door opzegging van werkneemster noch door opzegging van werkgever, maar met wederzijds goedvinden (overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:670b BW) is geëindigd, waarbij de brief van werkneemster van 19 november 2023 in combinatie met de e-mail van werkgever van 20 november 2023 als de schriftelijke bevestiging van die overeenkomst heeft te gelden. De kantonrechter wijst de verklaring voor recht toe dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd op 1 januari 2024, en wijst alle andere verzoeken af.