Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 24 april 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:3308
Feiten
Werkneemster is op 1 juli 2016 in dienst getreden bij werkgeefster als bedrijfsleidster. Op 17 april 2023 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Zij ontvangt vanaf 1 september 2023 een Ziektewetuitkering van het UWV. Op 5 oktober 2023 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de kortgedingprocedure. De kantonrechter heeft werkgeefster, kort samengevat, veroordeeld tot betaling van het loon vanaf augustus 2023 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, het overeengekomen vakantiegeld, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente. Werkgeefster heeft op 6 oktober 2023 een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV vanwege bedrijfseconomische redenen. Bij beschikking van 7 november 2023 heeft het UWV de ontslagaanvraag toegekend. Bij brief van 8 november 2023 heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd tegen 5 december 2023.
Oordeel
Nu werkgeefster geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de verschuldigdheid van de transitievergoeding of de hoogte daarvan, is het door werkneemster verzochte bedrag van € 5.610,85 bruto toewijsbaar. Dat geldt ook voor het verzochte bedrag van € 1.007,22 bruto aan vakantietoeslag over de periode van juni tot en met november 2023. Ten aanzien van de vakantiedagen heeft werkneemster verweer gevoerd. Volgens werkneemster had zij op basis van de arbeidsovereenkomst recht op 25 vakantiedagen per jaar. In 2023 heeft zij 15 vakantiedagen opgenomen. Dit betekent dat werkneemster aanspraak kan maken op een bedrag gelijk aan 10 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. Dat heeft werkgeefster niet althans onvoldoende weersproken. De kantonrechter zal dan ook het doorwerkneemster verzochte bedrag van € 1.100,74 bruto toewijzen. Wel matigt de kantonrechter de wettelijke verhoging, nu van betalingsonwil aan de zijde van werkgeefster niet is gebleken.