Rechtspraak
Feiten
X levert servicemedewerkers aan bedrijven die toezicht houden en orde bewaken. Y levert beveiligingspersoneel aan bedrijven. Op 18 oktober 2022 is een overeenkomst getiteld ’Zzp servicemedewerker contract’ tussen X en A gesloten. Daarin is opgenomen dat X aan A de opdracht verleent om servicewerkzaamheden en toezichthoudende taken op verschillende locaties uit te voeren tegen € 24,50 per uur all-in. Vanaf 31 oktober 2022 heeft A vanuit zijn eenmanszaak X gefactureerd voor de door hem geleverde diensten. Uit de facturen volgt dat A gebruikmaakt van de kleine ondernemingsregeling (KOR). Op 10 juli 2023 is een overeenkomst getiteld ‘OZzp stageovereenkomst’ tussen X en A gesloten. Daarin is opgenomen dat A, buiten dienstbetrekking, tegen beloning servicewerkzaamheden en toezichthoudende taken op verschillende locaties zal verrichten. Op 19 juli 2023 is een overeenkomst getiteld ‘Overeenkomst van opdracht’ gesloten tussen Y en A. Daarin is opgenomen dat A zich verplicht beveiligingswerkzaamheden te verrichten tegen variërende tarieven (exclusief btw). In het huisreglement van Y is een relatiebeding opgenomen. Op 4 september 2023 heeft Y de overeenkomst met A opgezegd, omdat A tijdens zijn dienst het te beveiligen object heeft verlaten voor een boodschap bij Albert Heijn. A verzoekt onder meer een verklaring voor recht dat sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten met X en Y.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In deze zaak staat de kwalificatievraag centraal. Voor de toepassing van het toetsingskader uit het Deliveroo-arrest is het volgende van belang. Uit de stellingen van partijen en het starten van de opleiding door A volgt dat beide partijen voor ogen hadden dat A voor langere tijd werkzaamheden voor X en Y zou gaan verrichten. Tussen partijen staat verder vast dat aan A op basis van zijn beschikbaarheid diensten ter beschikking werden gesteld en dat hij daaraan pas was gebonden na bevestiging. Uit de overeenkomsten volgt bovendien dat A uiterlijk 72 uur voor aanvang de dienst nog kon annuleren. Dat niet zomaar van locatie kon worden gewisseld doet niet af aan het voorgaande, nu het niet onbegrijpelijk is dat X en Y duidelijkheid van hun opdrachtnemers verwachten. Daarbij kon A sturen waar hij zou staan door bepaalde diensten (niet) aan te nemen. Onvoldoende onderbouwd door A is dat hij werd gedwongen diensten te draaien op dagen dat hij had aangegeven niet beschikbaar te zijn. Verder zijn het verplicht aantal uren dat A moet maken, voorschriften vanuit zijn opleiding en niet vanuit Y. Wel diende A bedrijfskleding te dragen, deed A inhoudelijk hetzelfde werk en werd hij hetzelfde behandeld als zijn collega’s in loondienst. In zoverre kan het werk als ingebed worden beschouwd. Het is echter ook van belang of A is ingebed in de organisatie. Daarvan is geen sprake. Verder kon A zich laten vervangen, heeft A altijd gefactureerd vanuit zijn eenmanszaak en ontvangt A een hoger uurloon dan wanneer hij in loondienst was geweest. Tot slot was sprake van een commercieel risico voor A. Zo was hij aansprakelijk voor de eventuele schade van derden en moest hij daar een verzekering voor afsluiten. Ook werd A niet beperkt in de hoeveelheid opdrachtgevers. Dat A geen andere opdrachtgevers had, kan X en Y niet worden tegengeworpen. Ook heeft A gebruikgemaakt van KOR en heeft hij btw gerekend. Conclusie is dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Doorslaggevend daarbij is de wijze waarop diensten konden worden aangenomen, de annuleringsmogelijkheden en het feit dat A zich als ondernemer heeft kunnen gedragen.