Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 27 mei 2024
ECLI:EU:C:2024:496
Feiten
KT is op 5 mei 2005 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst in een leidinggevende functie bij de overheid van Catalonië. Sindsdien heeft zij verschillende opeenvolgende tijdelijke aanstellingen bij die administratie gehad, waarvan de laatste dateert van 5 augustus 2015. Bij de verwijzende rechter stelt verzoekster in het hoofdgeding dat, aangezien zij sinds haar indiensttreding een vacante post heeft bekleed en er voor die post geen vacature is uitgeschreven, aan haar de status van werknemer voor onbepaalde tijd zonder vast dienstverband moet worden toegekend of, subsidiair, er een maatregel moet worden vastgesteld om haar in die functie te handhaven, zodat een einde wordt gemaakt aan het misbruik als gevolg van haar opeenvolgende tijdelijke aanstellingen.
HM en VD zijn sinds 1984 respectievelijk 1991 in dienst van het justitieapparaat in Catalonië. Zij vorderen dat zij gedurende alle dienstjaren bij het justitieapparaat in Catalonië dezelfde functies hebben uitgeoefend als vergelijkbare ambtenaren in vaste dienst, en dus hebben voorzien in behoeften die niet tijdelijk, spoedeisend en uitzonderlijk, maar blijvend, permanent en gewoon zijn. Derhalve moet worden vastgesteld dat de betrokken overheidsdienst misbruik maakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, hetgeen in strijd is met clausule 5 van de raamovereenkomst. Zij stellen dat aangezien het Spaanse recht geen enkele maatregel bevat waarmee een dergelijk misbruik in de overheidssector kan worden bestraft, hun arbeidsverhouding bij wijze van sanctie in deze sector moet worden omgezet in een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd, en wel door de verwerving van de status van ambtenaar in vaste dienst of, subsidiair, door de omzetting van de misbruik opleverende arbeidsverhouding voor bepaalde tijd in een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd die vergelijkbaar is met die van ambtenaren in vaste dienst. Meer subsidiair vorderen zij dat de betrokken overheidsdienst hun recht erkent om de posten die zij thans bekleden, te blijven vervullen, als aangestelden in die posten. Ten slotte vorderen zij betaling van een bedrag van € 18.000 of van een passend bedrag als sanctie voor het misbruik van opeenvolgende overeenkomsten of verhoudingen voor bepaalde tijd waarvan zij het slachtoffer zijn geweest.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Gedurende 37 jaar op tijdelijke basis werkzaam zijn doet risico van misbruik vermoeden
In casu geeft de verwijzende rechter aan dat de Spaanse wettelijke regeling voorschriften bevat volgens welke het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen gedurende een periode van meer dan twee jaar kan worden geacht misbruik op te leveren op grond dat die arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen in een dergelijk geval niet voorzien in tijdelijke, maar in permanente en blijvende behoeften van de betrokken werkgever. Zo bepaalt artikel 10 lid 4 EBEP met betrekking tot overheidspersoneel dat vacante posten die zijn bezet door ambtenaren in tijdelijke dienst, met het oog op de invulling ervan door een ambtenaar in vaste dienst worden opgenomen in het overzicht van overheidsvacatures teneinde binnen een termijn van ten hoogste twee jaar te rekenen vanaf de aanstelling van de betrokken ambtenaar in tijdelijke dienst te worden ingevuld door een ambtenaar in vaste dienst. Bovendien moet de overheid krachtens artikel 70 EBEP aan die arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd een einde maken door binnen een termijn van ten hoogste drie jaar uitvoering te geven aan dat overzicht van overheidsvacatures. Onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, lijkt een nationale bepaling als artikel 10 EBEP geen algemene en abstracte machtiging in te houden voor het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, maar kunnen dergelijke overeenkomsten op grond daarvan enkel worden gesloten in situaties waarin in wezen moet worden voorzien in tijdelijke behoeften. Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing in zaak C-332/22 dat de genoemde nationale bepalingen ook de in clausule 5, punt 1, onder b) en c), van de raamovereenkomst genoemde maatregelen bevatten, namelijk, ten eerste, een maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd en, ten tweede, het aantal malen dat overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden geverifieerd.
Dit neemt niet weg dat uit de verwijzingsbeslissing in zaak C-332/22 eveneens blijkt dat de opeenvolgende aanstellingen van verzoeksters in het hoofdgeding in die zaak en/of het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten door laatstgenoemden niet louter tegemoetkomen aan tijdelijke behoeften van het justitieapparaat in Catalonië, maar bedoeld waren om te voldoen aan permanente en blijvende personeelsbehoeften binnen dat apparaat. Uit die verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat die verzoeksters ten tijde van de instelling van hun beroepen reeds meer dan 37 respectievelijk 17 opeenvolgende jaren bij die administratie werkzaam waren en dat zij taken verrichtten die behoorden tot de normale werkzaamheden van personeel met een vaste aanstelling. Hieraan moet worden toegevoegd dat met een nationale regeling als bedoeld in het onderhavige arrest het risico van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd blijft bestaan indien niet wordt voldaan aan de wettelijke verplichting om de voorlopig door ambtenaren in tijdelijke dienst bezette functies binnen de gestelde termijn in te vullen. Gelet op de in die verwijzingsbeslissing vermelde feiten heeft een dergelijk risico zich in casu voorgedaan.
Sanctie op misbruik van tijdelijke contracten moet voldoen aan gelijkwaardigheids- en evenredigheidsbeginsel. Onder omstandigheden rechtvaardigt dit een omzetting in vaste dienst, mits niet contra legem
Hoewel de wijze waarop dergelijke normen ten uitvoer worden gelegd bij gebreke van een Unieregeling op dat punt krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak is van de interne rechtsorde van die staten, mag die wijze niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties krachtens intern recht geldt (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 3 juni 2021, Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Rural, Agrario y Alimentario, C‑726/19, EU:C:2021:439, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft geoordeeld dat de betaling van een vergoeding bij beëindiging van de overeenkomst het niet mogelijk maakt het nagestreefde doel van clausule 5 van de raamovereenkomst te bereiken, dat bestaat in het voorkomen van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd. Een dergelijke betaling lijkt immers los te staan van enige overweging betreffende het al dan niet rechtmatige karakter van het gebruik van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd (arrest van 3 juni 2021, Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Rural, Agrario y Alimentario, C‑726/19, EU:C:2021:439, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Op de vragen van de verwijzende rechter moet worden geantwoord dat clausule 5 van de raamovereenkomst, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat, bij gebreke van passende maatregelen in het nationale recht om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd overeenkomstig die clausule 5 te voorkomen en in voorkomend geval te bestraffen, de omzetting van die opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd een dergelijke maatregel kan vormen, voor zover een dergelijke omzetting geen uitlegging contra legem van het nationale recht impliceert.