Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 6 juni 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1874
Feiten
Werknemer is op 11 december 2017 in dienst getreden bij werkgever. Werknemer heeft zich op 6 september 2021 ziek gemeld en sindsdien niet meer gewerkt. Op 7 september 2022 is er een arbeidsdeskundig rapport gekomen waarin onder meer staat dat werknemer op medische gronden over beperkt benutbare mogelijkheden beschikt en dat er beperkingen zijn op diverse vlakken. Werkgever heeft vervolgens X ingeschakeld omdat hij betwijfelde of het geschetste ziektebeeld overeenkomstig de werkelijkheid was. Uit de bevindingen van X bleek dat werknemer meerder keren spullen van zijn auto naar zijn woning heeft getild, terwijl hij bij werkgever zou hebben aangegeven niet eens een beker te kunnen tillen. Werkgever heeft werknemer vervolgens op staande voet ontslagen. Werknemer vecht het ontslag op staande voet aan. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd. Werkgever is in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Werknemer stelt dat het onderzoek van X een ontoelaatbare inbreuk op zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer is. Het met het onderzoek vergaarde bewijs is daarom onrechtmatig verkregen en moet om die reden buiten beschouwing worden gelaten. Werknemer zei in telefoongesprekken met Y dat hij niets kon, niet fatsoenlijk kon zitten en daardoor ook niet lang met de auto kon rijden. Dat leek in strijd met hetgeen werkgever zelf waarnam: werknemer kon volgens hem tijdens gesprekken langdurig en normaal zitten en bewegen zonder zichtbare beperkingen en kon vervolgens zelfstandig met de auto naar huis rijden. Dat werkgever op grond daarvan twijfelde aan de juistheid van de verklaringen van werknemer en mogelijk van de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen acht het hof begrijpelijk. Het hof acht het onder die omstandigheden op zichzelf niet ontoelaatbaar dat werkgever X heeft ingeschakeld om werknemer te observeren, om zo die twijfel weg te nemen. Niet valt in te zien op welke andere wijze werkgever kon vaststellen of zijn twijfel terecht was. Ook het hof zal het rapport van X daarom niet buiten beschouwing laten en dit bij de beoordeling betrekken. Het hof is van oordeel dat het ontslag op staande voet terecht is vernietigd. Wat X werknemer heeft zien doen is niet in strijd met de door de arbeidsdeskundige vastgestelde beperkingen. Uit de bevindingen van X kan niet worden afgeleid dat werknemer zijn gezondheidsklachten wezenlijk had overdreven. En zelfs als dat het geval was geweest, dan had werkgever toch anders moeten handelen. Het is immers niet aan werkgever om vast te stellen waartoe werknemer wel of niet in staat was; hij had in dat geval de bevindingen van X aan de bedrijfsarts kunnen en moeten voorleggen, met de vraag of de activiteiten die werknemer had verricht te rijmen waren met wat hij tegen de bedrijfsarts had verklaard en de beperkingen die door de bedrijfsarts waren vastgesteld. In dit verband is nog van belang dat ontslag op staande voet een uiterst middel dient te zijn en dus terughoudend moet worden toegepast, terwijl de wet voorziet in andere maatregelen wanneer een arbeidsongeschikte werknemer de re-integratie frustreert.