Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgever/Werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 21 mei 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:3440
Schadevergoeding voor werkgever na ongeoorloofde betalingen en fraude door werkneemster (artikel 7:661 lid 1 BW). Stelplicht en betwisting.

Feiten

Werkneemster is werkzaam geweest bij werkgever, een transportonderneming, waarvan X de directeur/eigenaar was. Hij is ook de vader van werkneemster. Vanaf 1 december 2020 was werkneemster in dienst als vervoersmanager, tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2023. In oktober/november 2022 heeft een medewerkster van werkgever geconstateerd dat in de boekhouding een bedrag van € 17.254,49 ontbrak. Onderzoek wees uit dat werkneemster bedragen van de zakelijke rekening van werkgever heeft overgemaakt naar bankrekeningen van haarzelf en/of haar toenmalige partner, en dat zij privérekeningen met bedrijfsgeld heeft betaald. Werkgever en werkneemster hebben een betalingsregeling afgesproken voor deze ongeoorloofde betalingen, waarbij werkneemster maandelijks € 500 aan werkgever terugbetaalt. In januari 2023 is werkgever erachter gekomen dat in de boekhouding valse facturen waren opgenomen, in de periode dat werkneemster de financiële administratie verzorgde. Werkneemster heeft toegegeven dat zij met enkele facturen heeft gefraudeerd. De kantonrechter heeft werkneemster veroordeeld om aan werkgever met ingang van 1 september 2023 maandelijks een bedrag van € 500 te betalen, totdat een bedrag van € 4.767,69 is voldaan, onder aftrek van wat in de periode tussen 6 juli 2023 en de datum van de uitspraak al is betaald. Daarnaast moet werkneemster aan werkgever een bedrag van € 23.004,83 betalen onder aftrek van wat in de periode tussen 6 juli 2023 en de datum van de uitspraak al is betaald. Werkgever heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Werkgever stelt zich op het standpunt dat er hier sprake is van ongeoorloofde betalingen en van fraude door werkneemster, waardoor op werkneemster op grond van artikel 7:661 lid 1 BW een schadevergoedingsplicht rust. De stelplicht en zo nodig de bewijslast van die ongeoorloofde betalingen en van fraude rusten op werkgever, omdat hij zich beroept op het rechtsgevolg daarvan, namelijk de verplichting om de schade te vergoeden. Op werkneemster rust vervolgens de plicht om de ongeoorloofde betalingen en de fraude voldoende te betwisten. Van een bevrijdend verweer is geen sprake. Het hof ziet ook geen reden om hier tot een andere verdeling van de stelplicht of bewijslast te komen. Aangezien werkgever ook naar voren heeft gebracht dat van zijn kant aan de hand van in het geding gebrachte vervalste facturen en overzichten van concrete ongeoorloofde betalingen genoeg is gesteld, maar dat werkneemster de ongeoorloofde betalingen en de fraude onvoldoende heeft betwist, zal het hof de stellingen en de betwistingen beoordelen. In hoger beroep staat niet meer ter discussie dat werkneemster in elk geval een bedrag van € 23.004,83 is verschuldigd aan werkgever. Tegen deze vaststelling door de kantonrechter is immers geen beroep ingesteld. Werkgever meent dat het volledige restant aan hem moet worden toegewezen. Werkneemster heeft van bepaalde betalingen betwist dat die frauduleus waren, tegenover de erkenning van een aantal frauduleuze betalingen. Dat heeft zij gedaan per eigen bankrekeningnummer waarnaar zij gelden van werkgever heeft overgeboekt. Juridisch relevant is of de schade aan werkgever opzettelijk of bewust roekeloos is toegebracht. Werkneemster heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan fraude, waarbij het hof de betalingen die daarmee gemoeid waren, aanmerkt als schade voor werkgever die door haar opzettelijk of bewust roekeloos is toegebracht. Werkneemster heeft de gestelde bedragen onvoldoende betwist. De conclusie is daarom dat van de € 12.751,69 die in 2022 en 2023 op het loon van werkneemster werd ingehouden, een bedrag van € 5.500 betrekking heeft op de afbetalingsregeling en een bedrag van € 3.274,31 betrekking heeft op iets anders dan het fraudebedrag (€ 1.000 + € 1.192 + € 1.082,31). Deze bedragen komen niet in mindering op het fraudebedrag. Dat betekent dat het restant van € 3.977,38 (namelijk € 12.751,69 -/- € 5.500 -/- € 3.274,31) wel al is ingehouden op het fraudebedrag. Aangezien het bezwaar van werkgever tegen de berekening van de kantonrechter is beperkt tot een reeds ingehouden bedrag van € 4.169,38 zal het hof dat overnemen. Voor het fraudebedrag dat werkneemster aan werkgever  moet betalen betekent een en ander het volgende. Het verzochte schadebedrag is € 50.366,06. Een bedrag van € 23.004,83 staat vast. Van het resterende bedrag heeft werkneemster een totaalbedrag van € 3.250 niet voldoende betwist, maar de rest wel. Op het fraudebedrag van € 26.254,83 (te weten € 23.004,83 + € 3.250) is al ingehouden een bedrag van € 4.169,38, zodat werkneemster aan werkgever een bedrag moet vergoeden van € 22.085,45