Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 19 juni 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:4414
Feiten
Werknemer is op 25 april 2016 in de functie van nachtportier in dienst getreden bij werkgeefster. Werknemer raakt per 5 oktober 2018 arbeidsongeschikt. Op 17 augustus 2020 concludeert de bedrijfsarts dat werknemer volledig belastbaar is in het eigen werk. Per e-mail van 6 oktober 2020 meldt werknemer zich ziek, omdat hij het niet eens is met de visie van de bedrijfsarts. Op 12 oktober en 30 november 2020 verschijnt werknemer niet op het spreekuur van de bedrijfsarts. Werkgeefster stelt per 27 november 2020 een loonstop in. Werknemer vraagt op 2 december 2020 een deskundigenoordeel aan bij het UWV. Op 23 december 2020 oordeelt de arbeidsdeskundige van het UWV dat het werk – dat werknemer op 5 juli 2020 moest uitvoeren – passend is. Werknemer vordert uitvoerbaar bij voorraad werkgeefster te veroordelen binnen een week na het wijzen van vonnis tot betaling aan werknemer van achterstallig loon.
Oordeel
Werknemer stelt dat hij – voordat hij arbeidsongeschikt werd – werkzaamheden verrichtte behorende bij de functie van nachtmedewerker in plaats van nachtportier. Volgens de door werknemer overgelegde functieomschrijving verricht een nachtmedewerker zijn werkzaamheden in de nachtelijke uren. Werkgeefster heeft verweer gevoerd en gesteld dat werknemer werkzaamheden uitvoerde vergelijkbaar met de functie van medewerker front office/gastheer. Het verweer van werkgeefster slaagt. In het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 4 oktober 2019 vermeldt de deskundige het volgende: ”Werknemer geeft aan dat hij al anderhalf jaar geen nachtdiensten heeft gedraaid of als nachtportier werkzaam is geweest. Hij is bij zijn huidige werkgever jaren geleden begonnen als nachtportier waarna hij zichzelf omhoog heeft gewerkt als gastheer. Hij heeft verder ook werkzaamheden op kantoor verricht. Echter, volgens werknemer is dit nooit aangepast in zijn contract, zelfs niet nadat werknemer dit bij zijn werkgever heeft aangegeven, dat hij overdag totaal andere werkzaamheden verricht met andere verantwoordelijkheden.” Het voorgaande vindt ondersteuning in de verklaring van de hotelmanager, die heeft verklaard dat werknemer na enige tijd op eigen verzoek overdag diensten is gaan uitvoeren in de functie van receptiemedewerker. De vordering tot betaling van achterstallig loon over de periode januari 2018 tot 5 oktober 2018 is dan ook niet toewijsbaar. Uit de overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt tegen welke arbeidsomvang werknemer is verloond over de periode 5 oktober 2018 tot 1 oktober 2021. Daarnaast doet werkgeefster een beroep op verrekening vanwege te veel betaald loon over de maanden augustus, september en oktober 2021 en omdat werkgeefster het loon exclusief emolumenten heeft uitbetaald. Werknemer zal bij akte in de gelegenheid worden gesteld een berekening over te leggen, waarna werkgeefster bij antwoordakte hierop kan reageren. Werknemer heeft gesteld dat werkgeefster een minder verstrekkende maatregel had dienen op te leggen zoals loonopschorting. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Op grond van artikel 7:629 lid 3 onder c BW heeft een werknemer geen recht op loon voor de tijd gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid niet verricht. De bedrijfsarts heeft op 17 augustus 2020 geconcludeerd dat werknemer volledig belastbaar was in het eigen werk. Omdat werknemer ten onrechte weigerde de passende arbeid te verrichten, verloor hij zijn aanspraak op loon. De vordering is om die reden niet toewijsbaar.