Rechtspraak
Feiten
Beide partijen zijn schoonmaakbedrijven. De opdrachtgever van gedaagde heeft het aan gedaagde opgedragen schoonmaakwerk voor een winkelcentrum met ingang van 1 januari 2023 beëindigd en per die datum die opdracht verstrekt aan eiseres. Op grond van artikel 38 van de (op die datum) algemeen verbindend verklaarde Cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna te noemen de cao) heeft eiseres voldaan aan de verplichting een arbeidsovereenkomst aan te bieden aan het personeel dat werkzaam is op het object van de contractwisseling. Op deze verplichting bestaat een aantal uitzonderingen, waarvan voor deze zaak van belang is de uitzondering voor de werknemer die langer dan 26 weken arbeidsongeschikt is. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres met ingang van 1 januari 2023 al het personeel van gedaagde in dienst heeft genomen dat volgens deze cao-bepaling daarvoor in aanmerking kwam. Tot die personeelsleden behoort ook [D] , die zich op 28 februari 2023 bij eiseres ziek heeft gemeld. Die ziekmelding was voor eiseres reden om nader onderzoek te doen en dat heeft geleid tot haar conclusie dat [D] in de 26 weken voor 1 januari 2023 alleen werkzaam is geweest in aangepast werk omdat hij al arbeidsongeschikt was. Eiseres heeft geconcludeerd dat gedaagde op 1 januari 2023 [D] in dienst had moeten houden. Zij stelt dat gedaagde artikel 38 van de cao heeft geschonden en dat de daaruit voor eiseres voortvloeiende schade, de loonkosten van [D] tot het bereiken van diens AOW-leeftijd op 1 januari 2025, voor rekening van gedaagde moet komen. Gedaagde bestrijdt dat standpunt. Volgens haar was er geen sprake van arbeidsongeschiktheid van [D] op 1 januari 2023 laat staan dat die 26 weken had geduurd. Zij betwist dat [D] aangepast werk verrichtte als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Eiseres vordert veroordeling tot betaling van een bedrag van € 19.249,88 aan nettoloon over de periode van januari 2023 tot en met oktober 2023 te vermeerderen met toekomstige schade vanaf periode november 2023 tot en met 1 januari 2025. Ook verlangt zij veroordeling tot betaling van Arbokosten ad € 349,57. Gedaagde verzoekt afwijzing.
Oordeel
Bevoegdheid
Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij de grondslag ziet in het schenden van een op gedaagde op grond van de volgens de cao rustende informatieverplichting. Daarmee stelt de kantonrechter vast dat de vordering in ieder geval een zaak is betreffende (algemeen verbindend verklaarde bepalingen van) een cao als bedoeld in artikel 93 aanhef en onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kantonrechter is bevoegd van die vorderingen kennis te nemen.
De cao-bepaling
Deze zaak gaat om een vordering van eiseres tot vergoeding van haar schade, geleden als gevolg van een gestelde schending van de informatieverplichting van artikel 38 cao door gedaagde. De schending bestaat uit het gestelde niet informeren van eiseres dat [D] al in de 26 weken voor 1 januari 2023 arbeidsongeschikt is en alleen aangepast werk verrichtte. Eiseres heeft als meest verstrekkend standpunt aangevoerd dat [D] sinds 26 augustus 2020 arbeidsongeschikt is als gevolg van een hem in dienst van gedaagde overkomen bedrijfsongeval. Gedaagde heeft betwist dat dit het geval was en betwist dat [D] was aangewezen op aangepast werk. De kantonrechter oordeelt dat geen steun voor het standpunt van eiseres kan worden gevonden in het door haar overgelegde spreekuurverslag van 22 mei 2023 van haar bedrijfsarts. Eiseres heeft gewezen op loonstroken van [D] die laten zien dat hij in 2021 in totaal 849,96 uur (de kantonrechter leest 779,96 uur) ziek is geweest en in de maanden januari 2022 tot oktober 2022 met uitzondering van de maand april veel uren wegens ziekte is uitgevallen. De kantonrechter is het met eiseres eens dat de loonstroken een zeer hoog ziekteverzuim van [D] laten zien, althans in de door eiseres genoemde periode. Een (zeer) hoog ziekteverzuim kan echter niet de conclusie wettigen dat sprake was van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 38 cao. De vorderingen van eiseres worden afgewezen.