Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15 juli 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:6487
Feiten
Werknemer heeft vanaf 2 januari 2012 gewerkt bij Securitas B.V. (hierna: Securitas), laatstelijk in de functie van Global Program Manager Director voor 40 uur per week tegen een salaris van € 10.127,31 bruto per maand inclusief emolumenten. Werknemer is van 12 tot en met 15 februari 2024 naar Stockholm gegaan voor het ‘European Leadership Event’ van de groep waartoe Securitas behoort. In de avond van 12 februari 2024 is werknemer betrokken geweest bij een voorval in een hotelbar. De volgende ochtend is werknemer hierop aangesproken en naar huis gestuurd. Diezelfde dag is werknemer in het kader van een door Securitas gestart onderzoek geschorst. Op 19 februari 2024 is werknemer in een gesprek via Teams geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek naar het voorval, heeft hij zijn visie hierop gegeven, en is hij vervolgens op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarnaast verzoekt werknemer in verband met uitbetaling van de bonus over 2023, om Securitas te veroordelen tot betaling van de rente over de bonus van € 60.762 vanaf 26 februari 2024 tot 14 mei 2024, 50% wettelijke verhoging over de bonus, een bedrag van bijna € 63.000 aan transitievergoeding, € 50.861,20 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, en € 150.000 bruto aan billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat sprake is van een onverwijld ontslag op staande voet, zodat geen aanleiding bestaat om daar anders over te oordelen. Wel bestaat discussie over de vraag of sprake is van een dringende reden. Uit de ontslagbrief van 19 februari 2024 volgt onder meer dat de dringende reden is gelegen in de aggressieve opstelling van werknemer tijdens een (uit de hand gelopen) discussie met de CFO. Volgens diverse getuigen zou werknemer de CFO hebben aangevallen. Desondanks laat de ontslagbrief wat betreft de dringende reden voor de opzegging aan duidelijkheid te wensen over. De brief is drie pagina’s lang en bevat een uitgebreide omschrijving van het voorval en de nasleep ervan. Desondanks blijkt uit de brief niet ondubbelzinnig en eenduidig welk(e) feit(en) en/of gedragingen voor Securitas een dringende reden hebben opgeleverd. In de brief is niets vermeld in de trant dat het ontslag niet alleen wordt gegeven vanwege alle redenen tezamen, maar dat daarvoor ook elke reden afzonderlijk voldoende wordt geacht. Niet gesteld of gebleken is dat werknemer het wel zo had kunnen of moeten opvatten. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat de verschillende in de ontslagbrief geschetste feiten en omstandigheden allemaal tezamen ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet en dat die feiten en omstandigheden dan ook ieder voor zich moeten komen vast te staan, wil er sprake kunnen zijn van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Beschikbare camerabeelden en zeven getuigenverklaringen bieden onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke gedragingen van werknemer. Het is evenwel Securitas op wie de bewijslast van de dringende reden rust. Gezien de nog bestaande onduidelijkheden krijgt Securitas een bewijsopdracht. Securitas krijgt de gelegenheid alsnog het bewijs te leveren van de feiten en omstandigheden als vermeld in de ontslagbrief, die tezamen de dringende redenen hebben opgeleverd voor het ontslag op staande voet van werknemer. Wel merkt de kantonrechter op dat de feiten en omstandigheden die wel zijn komen vast te staan, blijk geven van een onacceptabele handelwijze van werknemer. Als niet komt vast te staan dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, moet werknemer er rekening mee houden dat deze gedragingen wel gevolgen zullen hebben voor de hoogte van een eventuele billijke vergoeding.