Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 16 juli 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:4700
Feiten
Werkneemste is op 1 juni 2006 in dienst getreden van de gemeente. Vanaf november 2020 hebben werkneemster en de gemeente gesprekken gevoerd over de toekomst van het dienstverband van werkneemster. Op 19 januari 2021 heeft de gemeente verschillende opties aan werkneemster geschetst: een mobiliteitsdienstverband, een vaststellingsovereenkomst of de werkneemster blijft langer in dienst. Op 4 maart 2021 heeft de gemachtigde van werkneemster de gemeente laten weten dat werkneemster akkoord gaat met het voorstel tot toekenning van een transitievergoeding per einddatum van het mobiliteitstraject, die voor rekening van de gemeente komt. Op 2 maart 2021 hebben partijen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang van 1 mei 2021 beëindigd. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat werkneemster per 1 mei 2021 een mobiliteitsdienstverband aangaat voor de duur van 15 maanden. Aan het einde van het mobiliteitsdienstverband maakt werkneemster aanspraak op de transitievergoeding (artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst). Werkneemster heeft geen andere betrekking gevonden en vordert bij de kantonrechter volledige nakoming van artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter heeft de vordering van werkneemster afgewezen. Werkneemster is in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Partijen zijn het niet eens over hoe artikel 8 VSO moet worden uitgelegd, maar wel dat werkneemster vanwege het eindigen van haar dienstverband met ABGL recht heeft op een transitievergoeding. Volgens werkneemster moet artikel 8 VSO zo worden uitgelegd dat ook haar arbeidsverleden bij de gemeente meetelt bij de berekening van de transitievergoeding. Volgens de gemeente is dat niet zo en staat in artikel 8 van de VSO niet meer of anders dan dat werkneemster aan het einde van de mobiliteitsovereenkomst recht heeft op een transitievergoeding, zoals dat is geregeld in artikel 7:673 BW. Als de uitleg van de gemeente wordt gevolgd, dan komt werkneemster (alleen) een transitievergoeding toe voor de duur van de mobiliteitsovereenkomst tussen haar en ABGL. Het hof oordeelt als volgt. Uit de bewoordingen van artikel 8 van de VSO volgt niet dat de arbeidsduur van werkneemster bij de gemeente meetelt voor de berekening van de transitievergoeding. Dat staat er niet. Louter taalkundig is de uitleg die de gemeente aan artikel 8 van de VSO geeft verdedigbaar. Het hof is van oordeel dat bij de uitleg van deze bepaling niet alleen de taalkundige uitleg van belang is, maar ook de volgende omstandigheden van belang zijn: de aard van de overeenkomst, de eventuele samenhang met andere bepalingen in de VSO, de considerans van de VSO en de schriftelijke communicatie tussen partijen over artikel 8 VSO voorafgaand aan het sluiten van de VSO, zoals die is gevoerd in het voorstel van de gemeente van 19 januari 2021 en in de brief van mr. Mulder van 4 februari 2021. Het hof stelt allereerst vast dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de gemeente is beëindigd. Zo is dat uitdrukkelijk opgenomen in de considerans van de VSO. Ook het voorstel van de gemeente van 19 januari 2021 wijst in die richting. Zowel in het voorstel van 19 januari 2021 als in de VSO zelf is uitdrukkelijk vermeld dat werkneemster alle arbeidsvoorwaarden behoudt als zij bij een derde als ABGL een mobiliteitsverband aangaat. In artikel 5 VSO is in dat verband vastgelegd dat werkneemster ook tijdens het dienstverband met ABGL eventuele uit de Cao Gemeenten volgende loonsverhogingen toegekend zal krijgen, dat haar pensioenopbouw bij het ABP zal worden voortgezet en dat sprake is van onafgebroken diensttijd. Een en ander laat geen ruimte voor een andere conclusie dan dat de overgang van werkneemster van de gemeente naar ABGL geen gevolgen zou hebben voor haar aanspraken op arbeidsvoorwaarden. Enige uitzondering daarop is niet vermeld. In de VSO staat ook dat werkneemster is gewezen op de consequenties van de in de VSO opgenomen afspraken, maar de vereiste duidelijkheid over een beperking van de transitievergoeding over alleen de duur van het mobiliteitsverband heeft de gemeente niet verschaft. Het hof is van oordeel dat werkneemster onder deze omstandigheden artikel 8 van de VSO over de transitievergoeding zo mocht begrijpen dat ook haar arbeidsverleden bij de gemeente meetelt voor de transitievergoeding. Werkneemster hoefde er niet op bedacht te zijn dat de transitievergoeding alleen over de periode van haar mobiliteitsdienstverband bij ABGL van maximaal 15 maanden zou worden berekend.