Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 9 juli 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:1077
Feiten
Deze zaak betreft de procedure na verwijzing na de uitspraak van de Hoge Raad van 23 september 2022 (zie AR 2022-1077). Euronext Amsterdam N.V. (hierna: Euronext) had ter uitvoering van de pensioenovereenkomsten tot en met 31 december 2013 uitvoeringsovereenkomsten gesloten met PMA. PMA had ook met vier andere werkgevers uitvoeringsovereenkomsten gesloten, waaronder de AFM. In 2008 is – als gevolg van de stijging van de levensverwachting, de historisch lage rentestand en de financiële crisis – bij PMA een reservetekort ontstaan. Euronext heeft PMA proberen te ondersteunen met verhoogde premies en vrijwillige bijstortingen. Begin 2012 heeft de AFM de uitvoeringsovereenkomst met PMA opgezegd. Ook Euronext en de andere bij PMA aangesloten werkgevers hebben daarna hun uitvoeringsovereenkomst met PMA beëindigd per 31 december 2013. Met ingang van 1 januari 2014 heeft Euronext een uitvoeringsovereenkomst gesloten met Delta Lloyd ter uitvoering van de pensioenovereenkomsten tussen Euronext en de op of na 1 januari 2014 bij haar in dienst zijnde werknemers. Deze pensioenregeling voorziet in een voorwaardelijk recht op indexatie. De pensioenrechten en -aanspraken die bij PMA waren opgebouwd, zijn overgedragen aan Delta Lloyd. Daarbij kon een in april 2013 vastgestelde korting op de pensioenen van 3% uiteindelijk (met terugwerkende kracht) worden beperkt tot 1,55%. Voor hen die niet onder de nieuwe regeling vallen – onder wie bij VPE aangesloten gepensioneerden en gewezen deelnemers – voorziet de sinds 1 januari 2014 geldende pensioenregeling niet in een voorwaardelijk recht op indexatie. VPE c.s. willen met deze procedure bereiken dat gepensioneerden en gewezen deelnemers net als vóór 2014 op het punt van de indexatie gelijk worden behandeld met de actieve werknemers en heeft in dat kader een aantal vorderingen ingesteld. Tot aan de Hoge Raad is over deze vorderingen geprocedeerd, waarbij de Hoge Raad uiteindelijk alle vorderingen van VPE c.s. afwees en het arrest van het Hof Amsterdam (zie AR 2020-0885) vernietigde. Na terugverwijzing naar het Hof De Haag staat (alleen nog) de vraag centraal of Euronext als gevolg van de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst met PMA en het verloren gegane indexatieperspectief van VPE c.s., tekort is geschoten in de nakoming van de pensioenovereenkomsten van VPE c.s. en/of Euronext in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Euronext heeft voldoende aangetoond dat zij zich bij het besluit tot opzegging van de uitvoeringsovereenkomst met PMA de belangen van de inactieven in voldoende mate heeft aangetrokken. Euronext heeft zich naar het oordeel van het hof in voldoende mate ingespannen om ervoor te zorgen dat zich bij de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst met PMA geen onacceptabele wijzigingen zouden voordoen ten nadele van de inactieven. Daartoe is van belang dat Euronext, toen PMA in zwaar weer kwam te verkeren, onverplichte stortingen heeft gedaan en een opslag van de jaarpremie heeft betaald. Zo heeft Euronext onder meer onverplicht een extra storting gedaan van € 11.759,437, waarmee de daadwerkelijke korting beperkt kon blijven tot 3%. Dat deze korting nodig was, is daarom niet aan Euronext te wijten. Integendeel: Euronext heeft vrijwillig het nodige gedaan om het nadeel voor zowel de actieven als inactieven zo veel mogelijk te beperken. Euronext heeft weliswaar besloten om geen verzoek te doen aan PMA op de voet van artikel 83 Pw tot overdracht van de waarde van de opgebouwde pensioenrechten en -aanspraken van de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden van Euronext aan Delta Lloyd, maar zij was hiertoe ook niet gehouden. Als gevolg van die keuze zijn de pensioenrechten van zowel de actieven als de niet-actieven premievrij gemaakt en bij PMA achtergebleven. Euronext heeft bij de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst met PMA nadere afspraken gemaakt ter vergoeding van uitvoeringskosten. In die zin heeft zij zich een goed werkgever betoond.
Euronext heeft vervolgens – alleen voor de toekomstige pensioenopbouw van haar actieve werknemers – een uitvoeringsovereenkomst gesloten met Delta Lloyd. Euronext is in dat kader met Delta Llloyd overeengekomen dat (uitsluitend voor de actieve werknemers) een toeslagendepot wordt gevormd waarin een eenmalig bedrag van € 1.200.000 is gestort en met ingang van 2014 jaarlijks € 700.000 tot 1 januari 2019, waarmee tijdens de opbouwfase onder voorwaarden de pensioenaanspraken van de actieve werknemers kunnen worden verhoogd. Deze toeslagen beogen dus de pensioenaanspraken tijdens de opbouwfase waardevast te houden en zijn mede bedoeld als compensatie voor de versobering van de pensioenopbouw vanaf 2012 (de tot die datum geldende eindloonregeling is in 2012 omgezet in een middelloonregeling). Deze toeslagverlening dient dus een ander doel dan de toeslagverlening aan de leden van de VPE, van wie de pensioenopbouw (grotendeels) heeft plaatsgevonden onder de tot 2012 geldende – naar de aard gunstiger – eindloonregeling waarin de in het verleden opgebouwde pensioenaanspraken bij een stijging van het pensioengevend inkomen telkens werden verhoogd. Euronext heeft naar het oordeel van het hof daarom in redelijkheid kunnen besluiten het toeslagdepot uitsluitend ten goede te laten komen aan de in 2014 actieve werknemers. Van handelen in strijd met hetgeen van een goed werkgever kan worden verwacht, kan niet worden gesproken.
Ook het feit dat niet-actieven door de collectieve waardeoverdracht hun perspectief op indexatie van hun pensioenen in rook hebben zien opgaan, kan niet leiden tot het oordeel dat Euronext (en/of PMA) jegens hen is tekortgeschoten als goed werkgever. Het vervallen van een perspectief is immers niet het gevolg van een wijziging van de pensioenovereenkomst door Euronext, maar hangt samen met het ontbreken van voldoende financiële middelen om bij de collectieve waardeoverdracht een perspectief in te kopen.
Nu geen sprake is van tekortkomingen, kunnen de vorderingen van VPE c.s. niet worden toegewezen. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 24 juni 2016 en, opnieuw rechtdoende, wijst de vorderingen van VPE c.s. af.