Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Unsworth Transport International Forwarding B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11 juni 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:1008
Werkgever legt twee keer conservatoir (bewijs)beslag ten laste van oud-werknemer en diens nieuwe werkgever in verband met verwijt dat hij relatiebeding in vso heeft overtreden.

Feiten

Werknemer is tot 2021 in dienst geweest van UTI. Eind 2021 is werknemer een eigen bedrijf gestart onder de naam Container & Co B.V. UTI heeft werknemer verweten dat hij het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding heeft geschonden. Partijen hebben onderhandeld over een minnelijke afwikkeling van dit geschil. Zij hebben op 15 februari 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat werknemer tot en met 30 november 2022 geen zaken mocht doen met de in de bijlage van die overeenkomst genoemde klanten/relaties. UTI heeft werknemer nadien verweten dat hij ook de vaststellingsovereenkomst heeft overtreden. Op 17 februari 2023 heeft UTI, na verkregen verlof, ten laste van Container c.s. en vier werknemers van Container c.s., conservatoir bewijsbeslag gelegd (hierna: het eerste beslag). De beslagen bescheiden zijn in bewaring gegeven bij Riscon Arnhem B.V. (hierna: Riscon of ‘de bewaarder’). De bescheiden betreffen gegevensdragers met daarop een kopie van gegevens van (onder andere) Container c.s. Op 1 maart 2023 - binnen de in het beslagverlof bepaalde termijn - heeft UTI Container c.s. en de vier werknemers in kort geding gedagvaard en inzage gevorderd in de door het eerste beslag getroffen bescheiden. Bij vonnis van 19 april 2023 heeft de voorzieningenrechter de eis van UTI afgewezen. Tegen dit eerste vonnis heeft UTI geen hoger beroep ingesteld. Op 30 mei 2023 heeft UTI, na opnieuw verkregen verlof, ten laste van onder andere Container c.s. en de vier werknemers conservatoir beslag tot afgifte gelegd onder de bewaarder op de bescheiden die door het eerste beslag zijn getroffen (hierna: het tweede beslag). Container c.s. heeft gevorderd dat het eerste en tweede beslag worden opgeheven. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Container c.s. heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Voor de beoordeling of het tweede beslag om de voornoemde redenen moet worden opgeheven gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat het eerste beslag al was vervallen op het moment dat het tweede beslag werd gelegd. Het hof is echter van oordeel dat zelfs als het eerste beslag vervallen zou zijn geweest, het tweede beslag dat UTI in verband met de tussen partijen ontstane onenigheid hierover zekerheidshalve heeft doen leggen, niet reeds om die reden onrechtmatig is. Dat geldt ook voor het met het oog daarop niet meewerken van UTI aan de gevorderde vernietiging van de eerder beslagen bescheiden. Geen rechtsregel verzet zich immers tegen de mogelijkheid om opnieuw beslag te leggen als door een fout of anderszins het eerdere beslag is komen te vervallen. Een en ander laat onverlet dat Container c.s. op haar beurt in kort geding opheffing van het nieuwe beslag kan vorderen. UTI heeft verder voldoende openheid gegeven aan de rechter bij de verlofaanvraag voor het leggen van het tweede beslag over de reden waarom en het doel waarvoor zij nogmaals tot beslaglegging wilde overgaan. De voorzieningenrechter heeft hierover overwogen dat UTI bij het verzoek tot verlof voor het leggen van het tweede beslag de rechter voldoende heeft voorgelicht over het dispuut dat tussen partijen was ontstaan over de uitleg van het eerste vonnis en waarbij Container c.s. zich op het standpunt stelde dat het eerste beslag was komen te vervallen. Ook de overige door Container c.s. aangevoerde gronden leiden niet tot het oordeel dat het tweede beslag onrechtmatig is gelegd, uitgaande van de omstandigheid dat het eerste beslag al vervallen was. Container c.s. verwijt UTI dat zij in dat geval “volledig opnieuw bewijsbeslag” had moeten leggen teneinde een proceseconomische overweging te maken die ertoe zou hebben geleid dat van beslaglegging zou worden afgezien, omdat zij reeds genoeg bewijs heeft, er geen aanwijzing is dat er meer overtredingen zouden zijn en daarom een redelijke aanleiding voor het leggen van beslag ontbrak. Het hof acht dit verwijt niet gegrond. Van UTI mag immers worden verwacht dat zij het instrument van de beslaglegging slechts aanwendt voor het doel dat zij beoogt te bereiken. In dit geval was dat het zekerstellen van de reeds beslagen bescheiden die zich bij de bewaarder bevonden. Het tweede beslag heeft zich daartoe ook beperkt. In redelijkheid valt niet in te zien dat Container c.s. opnieuw (al dan niet met behulp van deurwaarder en politie) ten kantore van de vennootschappen van Container c.s. of ten huize van werknemer voor die zelfde bescheiden beslag had moeten leggen. Evenmin valt in te zien dat Container hierdoor in een dermate zwaarwegend processueel belang zou zijn geschaad dat dit het beslag onrechtmatig maakt en tot opheffing van het beslag moet leiden. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank waarin de vordering tot op heffing van het beslag wordt afgewezen.