Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgever/Werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 24 juli 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:5087
Voormalig werkgever vordert dat het een gewezen werknemer (gedaagde) wordt verboden om tegen hem en zijn zusterondernemingen te procederen. Verstekvonnis.

Feiten

Werknemer is met ingang van 11 september 2002, althans per 1 november 2002, bij de rechtsvoorganger X in dienst getreden in de functie van Senior Developer. De kantonrechter te Tilburg heeft bij beschikking van 25 maart 2022 op het verzoek van X de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2022 ontbonden wegens het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft die beslissing in een beschikking van 10 november 2022 bekrachtigd. Nadien heeft werknemer, als eiser of verzoeker, meerdere gerechtelijke procedures tegen X en Y geïnitieerd. Die hebben tot verschillende uitspraken geleid. X en Y vorderen dat werknemer wordt verboden om nog een gerechtelijke procedure aanhangig te maken tegen X en/of Y voor zover dat verband houdt met de arbeidsverhouding tussen partijen.

Oordeel

Vastgesteld wordt dat werknemer, hoewel hij behoorlijk werd gedagvaard met inachtneming van de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten, niet in de procedure is verschenen. Daarom wordt tegen hem verstek verleend. Nu tegen werknemer verstek is verleend, dient ten aanzien van de tegen hem ingestelde vorderingen op grond van artikel 139 Rv te worden beoordeeld of deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, mede gelet op wat X en Y in de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling hebben gesteld. De vorderingen van X en Y worden niet toegewezen. Het verstrekken van een machtiging aan X en Y waarmee zij zelf het aan werknemer op te leggen procedeerverbod willen kunnen effectueren door handelingen van hem ongedaan te maken dan wel zogenoemde ongedaanmakingshandelingen door een dwangvertegenwoordiger mogelijk te maken of in dit vonnis op voorhand te voorzien in een rechtshandeling die bestaat uit ongedaanmaking, vindt geen steun in het recht.  Aan de hiervoor weergegeven onderbouwing van de afgewezen onderdelen voegt de voorzieningenrechter toe dat mede in aanmerking wordt genomen dat de wet ook andere - op het eerste gezicht meer aangewezen - wegen kent om juridisch en feitelijk irrationeel handelen in volstrekt ondeugdelijk onderbouwd en daarmee zinloos en onrechtmatig aan derden hinder en schade toebrengend procedeergedrag, tegen te gaan. Denkbaar is dat werknemer, die zelf in zijn vele berichten aan eisers, hun advocaat en de griffie stelt dat hij vele schulden heeft die hij niet kan betalen, betrokken wordt in een insolventieprocedure (faillissement, wettelijke schuldsaneringsregeling) die hem voor wat betreft vorderingen zoals die door hem steeds worden ingesteld onbevoegd maakt. Ook denkbaar is dat enig in Boek 1 BW geregeld beschermingsregime (curatele, beschermingsbewind) wordt nagestreefd.