Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 13 juni 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:5506
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2023 in dienst getreden bij werkgeefster als chief operating officer. De arbeidsovereenkomst bevatte een bepaling dat werknemer, onder voorwaarde van goedkeuring door de AVA, recht had op 2,5% van het aandelenkapitaal van de moedermaatschappij van werkgeefster, mits hij in dienst bleef. Na een evaluatiegesprek in november 2023 werd zijn functioneren als positief beoordeeld en werd er mondeling afgesproken dat zijn contract zou worden verlengd, met het oog op een mogelijk toekomstige rol als CEO. Op 24 januari 2024 besloot werkgeefster het contract, dat eindigde op 1 februari 2024, niet te verlengen, hoewel werknemer meende dat er al een verlenging tot 1 februari 2025 was overeengekomen. Werkgeefster bood hem een "zachte landing" aan, waarbij hij nog enkele maanden kon blijven werken, om ander werk te vinden, maar werknemer verwierp dit voorstel en stelde zich op het standpunt dat het contract al verlengd was. Dit heeft geleid tot een geschil waarin werknemer aanspraak stelde te maken op loondoorbetaling, verlenging van de arbeidsovereenkomst en overdracht van de beloofde aandelen, terwijl werkgeefster bleef vasthouden aan de beëindiging van het dienstverband per 1 februari 2024. In de onderhavige procedure berust werknemer in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2024. Wel verzoekt werknemer een billijke vergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een schadevergoeding. Werkgeefster voert aan dat geen sprake is van een onregelmatige opzegging maar van een aanzegging. Tijdens het functioneringsgesprek zou geen concreet aanbod zijn gedaan.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn het wel eens over de juistheid van het gespreksverslag van het beoordelingsgesprek op 21 november 2023, waaruit naar voren komt dat werknemer goed functioneert. In het verslag is opgenomen dat de eventuele promotie van werknemer naar CEO op 1 juli 2024 zal worden geëvalueerd. Daaruit kan worden afgeleid dat partijen voornemens waren de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Daarnaast blijkt uit een geluidsopname van een gesprek op 30 januari 2024 dat een werknemer van werkgeefster met werknemer over contractsverlenging heeft gesproken. Het ontbreken van concrete afspraken tussen partijen doet hier niet aan af. De arbeidsvoorwaarden stonden immers al vast. De gefixeerde schadevergoeding over één maand wordt toegekend. Dit bedrag mag worden verrekend met de reeds door werkgeefster betaalde aanzegvergoeding. Omdat sprake is van een niet rechtsgeldige opzegging dient het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding te worden toegewezen. De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat werknemer tot 1 februari 2025 in dienst zou zijn bij werkgeefster, de duur van de beoogde verlenging. Een langer dienstverband is gezien de opzegging en de kritiekpunten niet aannemelijk. Ook wordt meegenomen dat werknemer in aanmerking komt voor een WW-uitkering, hoewel hij deze niet heeft aangevraagd. Ook met de toegekende gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding wordt rekening gehouden. De gunstige perspectieven van werknemer op de arbeidsmarkt en zijn korte dienstverband zijn ook redenen om de vergoeding naar beneden bij te stellen. Er wordt een billijke vergoeding van € 75.000 toegekend. Ten aanzien van het recht op aandelen constateert de kantonrechter dat werknemer heeft berust in de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Bij beëindiging van het dienstverband vervalt het recht op aandelen, ongeacht de reden. Op grond van artikel 6:87 BW kan een verbintenis worden omgezet in een verplichting tot schadevergoeding indien de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser schriftelijk schadevergoeding vordert in plaats van nakoming. Omdat werknemer geen schriftelijke ingebrekestelling heeft verstuurd en werkgeefster wel aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, oordeelt de kantonrechter dat werkgeefster niet in verzuim is en dat de vordering tot vervangende schadevergoeding wordt afgewezen. Werkgeefster wordt, als overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.