Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 8 augustus 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:8398
Feiten
Werknemer heeft op 19 december 2022 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van een jaar met REPA TRANSPORTBANDEN B.V. (hierna: REPA). Op 10 augustus 2023 heeft werknemer tijdens het werk een ongeval gehad. Werknemer had een zware rubberen rol met een heftruck in een machine geplaatst. Hij ging de machine in om het bindlint door te snijden. Hierdoor is het uiteinde/de flap van de rol naar beneden geklapt en op werknemer terecht gekomen. Het stanleymes, dat werknemer in zijn rechterhand had, is door de klap in zijn linker onderarm gesneden. Hierdoor zijn verschillende pezen geraakt (doorgesneden). Werknemer is in het ziekenhuis opgenomen, geopereerd, arbeidsongeschikt geraakt en zit momenteel in een re-integratietraject. Bij brief van 18 augustus 2023 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie werknemer bericht dat zij REPA in de gelegenheid heeft gesteld het ongeval te onderzoeken en een werkgeversrapportage op te stellen. In de werkgeversrapportage is geconcludeerd dat het ongeval primair heeft plaatsgevonden, omdat het gevaar van de werkzaamheden is onderschat door de organisatie. Uit de feitenanalyse in de werkgeversrapportage blijkt verder dat voor het lossnijden van de rubberen rollen geen instructie/procedure is opgesteld. Om herhaling van dit arbeidsongeval te voorkomen zijn in de werkgeversrapportage diverse maatregelen/aanbevelingen voorgesteld. De advocaat van werknemer heeft REPA bij brief van 18 april 2024 aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade van werknemer als gevolg van het arbeidsongeval. Werknemer verzoekt dat voor recht wordt verklaard dat REPA jegens werknemer aansprakelijk is ter zake van het door werknemer op of omstreeks 10 augustus 2023 opgelopen arbeidsongeval en dat REPA wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van dit deelgeschil.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er bestaat tussen partijen geen discussie over de toedracht van het ongeval, dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van aan werknemer opgedragen werkzaamheden en dat hij (in ieder geval enige) schade heeft geleden. Dit brengt met zich mee dat REPA in beginsel voor de schade aansprakelijk is, tenzij zij kan aantonen dat zij haar zorgplicht is nagekomen of dat zij aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Volgens de kantonrechter heeft REPA onvoldoende gemotiveerd gesteld dat werknemer bewust roekeloos heeft gehandeld, ondanks het feit dat werknemer in strijd met een veiligheidsmaatregel heeft gehandeld door in de machine te gaan staan. Het was immers een ervaringsfeit dat het vaker gebeurde zonder ongelukken. Daarnaast was de machine niet voorzien van een afzetting (met bijvoorbeeld een ketting). Verder is niet gebleken van waarschuwingstekens/-borden bij de machine en er waren geen schriftelijke werkinstructies voor het lossnijden van de rubberrollen voorhanden. Ook heeft REPA, volgens de kantonrechter, niet kunnen aantonen dat zij haar zorgplicht is nagekomen. Het overgelegde KAM-instructieboekje is te algemeen van inhoud en voorziet onvoldoende in specifieke maatregelen en instructies die vereist zijn met het oog op het veilig doorsnijden van bindlint in de machine. Daarnaast heeft REPA niet gesteld op welke wijze werknemer in zijn algemeenheid daarvan kennis kon nemen. Verder is niet komen vast te staan dat REPA vóór het ongeval aan werknemer de schriftelijke instructie ‘Veilig doorsnijden van bindlint in de installatie’, en de Poolse vertaling daarvan, heeft uitgereikt. De kantonrechter hecht veel waarde aan de werkgeversrapportage, alhoewel de werkgeversrapportage voor interne doeleinden is bestemd, omdat deze door een onafhankelijke KAM-adviseur is opgesteld. Werknemer heeft erkend dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden mondeling is geïnstrueerd over de werkzaamheden bij de machine, maar het is onduidelijk wat voor instructies dat zijn geweest. Het feit dat in de afgelopen 31 jaar niet eerder zo'n ongeval heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt op zich niet de conclusie dat de mondelinge instructies afdoende waren, omdat uit de werkgeversrapportage blijkt dat het gevaar door REPA is onderschat. Verder vindt de kantonrechter dat REPA effectievere (veiligheids)maatregelen had moeten treffen ter voorkoming van een ongeval, gelet op de aard van de werkzaamheden én het gegeven dat werknemers zelf niet altijd voorzichtig genoeg zijn. Indien ervan uit wordt gegaan dat instructies zijn gegeven, dan moet worden geconcludeerd dat REPA onvoldoende toezicht heeft gehouden op het opvolgen van die instructies door werknemer. Voorts is er voldoende reden om aan te nemen dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de schending van de zorgplicht. REPA kan dus aansprakelijk worden gehouden voor de schade van werknemer als gevolg van het arbeidsongeval op 10 augustus 2023. Dit brengt met zich mee dat REPA zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de deelgeschilprocedure (begroot op € 3.456,85).