Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 8 november 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:7750
Feiten
Tussen werknemer en werkgever heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. Partijen zijn ter beëindiging van deze arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2022 wordt beëindigd. Daarnaast is opgenomen: “Na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst door beide partijen zal werkgever binnen 7 werkdagen het achterstallig loon over de periode 12 juli 2022 t/m 30 september 2022 voldoen”. In de vaststellingsovereenkomst is ook een boeteclausule opgenomen: bij niet-nakoming of overtreding van de bedingen uit de overeenkomst verbeurt de overtredende partij een boete van € 1.000, vermeerderd met € 250 per dag dat de overtreding voortduurt. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst op 27 september 2022 door beide partijen is ondertekend. Het achterstallig loon had daarom volgens hem uiterlijk 6 oktober 2022 moeten worden betaald. Dat is echter een dag later, op 7 oktober 2022 gebeurd en daarom maakt hij nu aanspraak op de boete van € 1.000, te vermeerderen met wettelijke rente, advocaatkosten (€ 381,15) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 151,39), met veroordeling van werkgever in de proceskosten. Werkgever betwist de vordering en stelt dat hij tijdig betaald heeft.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat betaling diende te volgen binnen zeven werkdagen na ondertekening van de overeenkomst door beide partijen. Werknemer heeft de overeenkomst op 27 september 2022 en dezelfde dag per e-mail aan werkgever gestuurd. Werknemer stelt dat werkgever de overeenkomst vervolgens ook op 27 september 2022 heeft ondertekend, maar dat blijkt nergens uit. Werkgever heeft dat ook gemotiveerd betwist en een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft aangekondigd dat hij de overeenkomst op donderdag 29 september 2022 zou ondertekenen, omdat hij op dat moment pas weer op kantoor zou zijn. Op 30 september 2022 heeft werkgever die ondertekende overeenkomst per e-mail aan werknemer verstuurd, wat de lezing van werkgever naar het oordeel van de kantonrechter ondersteunt. Werkgever heeft vervolgens op 7 oktober 2022 betaald, wat uitgaande van de datum 29 september 2022 op tijd is. Werknemer heeft dit tijdspad niet voldoende weerlegd of duidelijk gemaakt waarom ervan zou moeten worden uitgegaan dat werkgever de overeenkomst op 27 september 2022 heeft ondertekend. De vorderingen van werknemer worden daarom afgewezen.