Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Surgerytimeistanbul B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 juni 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:7459
Na protest tegen beƫindiging arbeidsovereenkomst wordt werkneemster verzocht weer op het werk te komen. Omdat zij niet verschijnt, volgt ontslag op staande voet. Loonvordering in kort geding toegewezen tot datum ontslag op staande voet.

Feiten

Werkneemster is sinds 29 januari 2024 bij STI in dienst als tandartsassistente. Op 1 april 2024 heeft STI werkneemster per e-mail laten weten dat vrijdag 29 maart 2024 de laatste dag van haar proeftijd is, dat haar arbeidsovereenkomst voor een jaar niet doorgaat en wordt omgezet naar een contract voor zes of zeven maanden. Deze e-mail is gevolgd door een e-mail waarin STI een derde officiële waarschuwing geeft omdat werkneemster niet op tijd op het werk is verschenen. Werkneemster heeft hierop gereageerd dat zij niet akkoord gaat met een arbeidsovereenkomst voor zes of zeven maanden en dat zij haar gewerkte uren graag binnen twee werkdagen wil hebben. Hierop heeft STI laten weten dat zij aan de boekhouder zal doorgeven dat werkneemster sinds 31 maart 2024 niet meer bij haar werkzaam is. Werkneemster heeft op 18 april 2024 schriftelijk geprotesteerd tegen de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst en is op 29 april 2024 deze procedure gestart, waarna (de gemachtigde van) STI in een uitstelverzoek aan de kantonrechter heeft bevestigd dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst die uit de e-mails van 1 april 2024 zou volgen berust op een misverstand over de duur van de proeftijd, dat de arbeidsovereenkomst is voortgezet en dat werkneemster op 6 mei 2024 weer op het werk wordt verwacht. Werkneemster is op 6 mei 2024 niet op het werk verschenen, waarna STI haar bij brief van diezelfde datum op staande voet heeft ontslagen. Werkneemster vordert in dit kort geding wedertewerkstelling, betaling van haar salaris over april 2024 en (toekomstige) loonbetalingen vanaf mei 2024 en het verstrekken van loonspecificaties.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Wedertewerkstelling niet meer van belang

De vordering van werkneemster om weer te worden toegelaten tot haar werkplek wordt afgewezen. De grondslag voor deze vordering is het bericht van STI van 1 april 2024 over het eindigen van de arbeidsovereenkomst. STI heeft vervolgens, in de e-mail van haar gemachtigde aan de kantonrechter van 3 mei 2024, bevestigd dat zij zich had vergist en dat zij aan werkneemster heeft laten weten dat werkneemster op 6 mei 2024 weer aan het werk kan. Dit bericht heeft de gemachtigde van werkneemster ook ontvangen. Daarmee heeft STI voldaan aan deze eis en heeft werkneemster geen belang meer bij toewijzing. Het op 6 mei 2024 aan werkneemster gegeven ontslag op staande voet is door haar niet (alsnog) aan deze vordering ten grondslag gelegd. De kantonrechter kan daarom geen beslissing nemen over een wedertewerkstelling na deze datum.

Loonvordering gedeeltelijk toewijsbaar

STI heeft erkend dat de arbeidsovereenkomst na 1 april 2024 is blijven bestaan. Vervolgens heeft zij op 6 mei 2024 per brief (en per e-mail) werkneemster op staande voet ontslagen. Hiermee staat vast dat STI het salaris over april 2024 en over de periode van 1 tot en met 6 mei 2024 moet betalen. Het salaris over april 2024 is betaald en werkneemster heeft bevestigd dat zij dit bedrag heeft ontvangen. De betaling over de periode van 1 tot en met 6 mei 2024 heeft nog niet plaatsgevonden. Het netto-equivalent van het brutobedrag over deze periode had uiterlijk op 1 juni 2024 moeten zijn voldaan. STI is dus met betaling in verzuim. Dit maakt de loonvordering over deze periode toewijsbaar.

Over de periode vanaf 7 mei 2024 is de loonvordering van werkneemster niet toewijsbaar, omdat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure het ontslag op staande voet dat op 6 mei 2024 is gegeven en is gebaseerd op het meermaals niet of te laat op het werk verschijnen, zal worden vernietigd. Partijen krijgen in de bodemprocedure gelegenheid zich nader uit te laten over hun standpunten, maar daar is in kort geding geen plaats voor. Daarom wordt de vordering van werkneemster ten aanzien van het loon vanaf 7 mei 2024 afgewezen.