Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 16 juli 2024
ECLI:NL:RBOVE:2024:3787
Feiten
Werkgeefster is een stichting die is opgericht om het mogelijk te maken dat aan gezinnen met ernstig zieke, terminale of overleden kinderen of ouders kosteloos een fotoreportage wordt aangeboden. Hoewel de stichting formeel niet door werkneemster is opgericht, is zij wel de bedenkster en initiatiefneemster van de stichting. Met ingang van 1 oktober 2020 is werkneemster op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam voor werkgeefster in de functie van directeur. Op 12 februari 2024 heeft werkneemster werkgeefster verzocht om uitbetaling van overuren die zij stelt te hebben gemaakt. Het aantal overuren in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2021 bedraagt volgens werkneemster 1715. Vervolgens heeft werkgeefster laten weten de arbeidsovereenkomst met werkneemster te willen beëindigen. Werkneemster heeft zich op 23 mei 2024 ziek gemeld. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen dan wel vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt allereerst dat weliswaar sprake is van een opzegverbod, maar dat dit verbod niet in de weg staat aan ontbinding, omdat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de ziekte van werkneemster. De kantonrechter is verder van oordeel dat geen sprake is van verwijtbaar handelen van werkneemster. Het stond haar vrij te verzoeken om uitbetaling van de overuren. Werkgeefster had – ook indien het om een in haar visie disproportionele omvang ging – om een (nadere) toelichting en onderbouwing kunnen vragen om zich vervolgens een oordeel te kunnen vormen over het overwerk. Aan de hand daarvan had zij dan kunnen vaststellen of en tot welk bedrag de aanspraak van werkneemster terecht was. Het verzoek van werkneemster en de wijze waarop dat is gedaan levert geen verwijtbaar handelen op. Verder valt, zonder nadere toelichting (die ontbreekt), niet in te zien dat werkneemster tijdens haar dienstverband verwijtbaar heeft gehandeld door declaraties en/of onttrekkingen van vóór het aangaan van het dienstverband. Daar komt bij dat werkneemster gemotiveerd en grotendeels onweersproken heeft toegelicht dat die declaraties ten behoeve van werkgeefster zijn gedaan. De kantonrechter is voorts van oordeel dat tussen partijen geen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Uit de standpunten van partijen en uit de eigen waarneming van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding met (een deel van) het huidige bestuur van werkgeefster. Er is in dit geval echter sprake van een bijzondere situatie, anders dan bij gebruikelijke arbeidsrelaties. Het betreft hier een stichting, zonder winstoogmerk, die grotendeels draait op de inzet van vrijwilligers. De bestuursleden worden voor twee jaar benoemd en verrichten hun activiteit onbezoldigd. Gelet hierop, waarbij enerzijds werkneemster bedenkster en initiatiefneemster en thans werkneemster is, en anderzijds het bestuur bestaat uit tijdelijk benoemde vrijwilligers, kan niet al te snel worden aangenomen dat ontbinding op het verzoek van de stichting is gerechtvaardigd op de grond dat de verhouding met een of meer bestuursleden is verstoord. Voorts is van enige inspanning om de mogelijk verstoorde relatie te herstellen in het geheel niet gebleken, hetgeen van het bestuur wel had mogen worden verwacht. Afwijzing van het ontbindingsverzoek volgt.