Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 20 augustus 2024
ECLI:NL:RBOVE:2024:4538
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 februari 2017 in dienst gekomen bij werkgeefster (hierna: gedaagde 1) in de functie van servicemonteur tegen een salaris van € 2.146,59 bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst is de cao metaal en techniek van toepassing. Op 28 augustus 2020 is werknemer ziek geworden. Gedaagde 1 heeft na twee jaar ziekte een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV. Die vergunning is verleend. Vervolgens heeft gedaagde 1 de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen de datum van 31 december 2022. De arbeidsovereenkomst is daarmee beëindigd. Bij beslissing van het UWV van 7 juli 2022 is aan werknemer met ingang van 26 augustus 2022 een loongerelateerde uitkering toegekend (WGA) op basis van arbeidsongeschiktheid voor 80-100%. Werknemer vordert betaling van vakantiedagen, overwerkvergoeding, achterstallig salaris, een correctie op de transitievergoeding, een eenmalige cao-uitkering en een bedrag aan gereedschapsvergoeding.
Oordeel
Werknemer heeft in deze procedure meerdere partijen tot betaling aangesproken. Gedaagden hebben aangevoerd dat alleen gedaagde 1 uit hoofde van het dienstverband kan worden aangesproken. De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer op grond van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst slaagt. Dat heeft tot gevolg dat de vorderingen tegen de overige gedaagden worden afgewezen. Werknemer heeft verschillende loonvorderingen ingesteld. Naast andere verweren heeft gedaagde 1 daar telkens tegen aangevoerd dat er sprake is van verjaring van de vorderingen, voor zover die betrekking hebben op de periode vóór 17 januari 2018. De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer - uitgaande van een verjaringstermijn van vijf jaar -slaagt. Dat betekent dat de vorderingen uit de dagvaarding die betrekking hebben op bedragen die al vóór 17 januari 2018 opeisbaar zijn geworden, worden afgewezen. De vordering tot betaling van een aanvulling op de transitievergoeding is niet toewijsbaar omdat de vervaltermijn drie maanden is verstreken. Met betrekking tot de vakantie- en Adv-dagen heeft werknemer zijn vordering onvoldoende onderbouwd en die wordt daarom afgewezen. Voor de beoordeling van de vordering met betrekking tot het overwerk heeft werknemer onvoldoende onderbouwd dat hij de in zijn berekening genoemde overuren ook werkelijk heeft gemaakt en dat deze niet zijn uitbetaald. De vordering wordt afgewezen. Werknemer maakt aanspraak op achterstallig salaris omdat gedaagde 1 gedurende het dienstverband de loonsverhogingen die gelden op basis van de cao niet heeft toegepast. Volgens werknemer gaat het om een bedrag van € 18.567,49 bruto. Gedaagde 1 heeft aangevoerd dat in elk geval een bedrag van € 187,83 bruto niet toewijsbaar is in verband met verjaring. Rekening houdend met het deel van de vordering dat verjaard is, is toewijsbaar een bedrag van € 18.379,66 bruto en een wettelijke verhoging van 30%. De kantonrechter wijst de vordering met betrekking tot de eenmalige cao-uitkering toe. Gedaagde 1 heeft niet aangetoond dat zij de cao op de juiste wijze heeft toegepast op het salaris van werknemer en dat zij bedoeld bedrag aan hem heeft betaald. De gevorderde gereedschapsvergoeding wordt afgewezen omdat werknemer op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat gedaagde 1 de kosten voor slijtage en vervanging van het gereedschap heeft vergoed.