Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 7 augustus 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:5733
Feiten
Werknemer is op 20 september 2021 in dienst getreden bij werkgever, met een arbeidsovereenkomst waarop de cao Metaal en Techniek Metaalbewerkingsbedrijf (hierna: de cao) van toepassing is verklaard. De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 december 2023. Werknemer stelt dat hij volgens de cao over de jaren 2021 en 2022 recht heeft op 133,12 uren ADV, die door werkgever niet zijn toegekend. Conform de cao moeten niet toegekende ADV-uren worden omgezet in een geldelijke vordering. Werkgever voert aan dat werknemer niet heeft voldaan aan zijn substantiëringsplicht. Hoewel toepassing van een cao niet verplicht is voor de onderneming, heeft werkgever de cao uit goed werkgeverschap van toepassing verklaard om werknemers een pensioenregeling aan te bieden. Werkgever betwist echter dat werknemer recht heeft op betaling van ADV-uren over 2021 en 2022. Werknemer heeft een loon ontvangen gebaseerd op een werkweek van 40 uur, terwijl de cao een 38-urige werkweek hanteert. Volgens werkgever heeft werknemer daardoor twee uur te veel loon ontvangen. Ook stelt werkgever dat het in de branche gebruikelijk is om te kiezen tussen een werkweek van 38 uur met twee ADV-uren, of 40 uur met een hoger salaris. Daarnaast sluit het bedrijf tussen kerst en nieuwjaar zonder dat medewerkers vrije dagen hoeven op te nemen. Als werknemer een vordering heeft qua dagen, moeten deze uren voor 2021 en 2022 in mindering worden gebracht. Werknemer vordert werkgever te veroordelen tot betaling van € 2.307,51 bruto wegens niet-toegekende ADV-uren, vermeerderd met de wettelijke rente.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat werknemer recht heeft op uitbetaling van de ADV-uren over de 2021 en 2022. Uit de cao volgt dat werknemer recht heeft op Arbeidsduurverkorting (ADV), en dat niet opgenomen ADV-uren bij beëindiging van het dienstverband moeten worden omgezet in tijd of geld. De arbeidsovereenkomst vermeldt dat de cao van toepassing is zonder uitzonderingen en er zijn geen andere afspraken gemaakt. Partijen zijn het erover eens dat er bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet over deze ADV-uren of de voorwaarden waaronder deze zouden worden toegekend is gesproken. Dit betekent dat werknemer vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst recht had op deze ADV-uren. Dat werknemer een 40-urige werkweek heeft gewerkt en hiervoor salaris heeft ontvangen, verandert niets aan zijn recht op ADV-uren volgens de cao. De kantonrechter verwerpt ook het standpunt van werkgever dat de ADV-uren verrekend moeten worden met de vrije dagen tussen kerst en nieuwjaar, aangezien hierover geen afspraken zijn gemaakt. Nu werkgever geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de ADV-uren, zal de vordering van € 2.307,51 bruto worden toegewezen. De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging is toewijsbaar, omdat werkgever het loon niet op tijd heeft voldaan. Het komt de kantonrechter met het oog op de omstandigheden billijk voor om de wettelijke verhoging te beperken tot 20%.