Naar boven ↑

Rechtspraak

Rechtbank Den Haag, 4 juli 2024
Nagelstyliste is werkzaam bij schoonheidssalon op basis van een overeenkomst van opdracht en niet op basis van een arbeidsovereenkomst. Geen sprake van loon en gezag.

Feiten

X exploiteert een schoonheidssalon. Omstreeks 20 maart 2023 heeft werkster een eenmanszaak opgericht en zich ingeschreven in het handelsregister. Werkster is van 20 maart 2023 tot eind november 2023 als nagelstyliste werkzaam geweest in de schoonheidssalon van X. Zij stuurde in dat kader maandelijks facturen aan X en heeft in totaal een bedrag van € 11.716,69 inclusief btw in rekening gebracht. Werkster verzoekt thans een verklaring voor recht dat vanaf 20 maart 2023 tot en met 7 december 2023 een arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan en dat die arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze door X is beëindigd. Ook verzoekt zij veroordeling van X tot betaling van een billijke vergoeding.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat tussen partijen geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst, nu de elementen ‘loon’ en ‘gezag’ ontbreken. Daartoe is onder meer het volgende van belang. Werkster heeft zich als onderneemster gedragen door een eenmanszaak op te richten en in te schrijven in het handelsregister en haar boekhouding uit te besteden. X heeft voor de diensten van werkster facturen ontvangen en voldaan. Dat werkster geen regie had over haar werktijd is niet gebleken. Dat zij haar vakantie niet zelf heeft kunnen bepalen, blijkt ook nergens uit. De omzet van werkster werd bepaald door de door haar verrichte behandelingen en, zoals door werkster zelf bevestigd, de 50/50-afspraak indien het een klant van de schoonheidssalon betrof. Dat werkster heeft gesteld dat zij geen eigen klanten had en daarom geen eigen tarief berekende, voor zover dit al juist is, betekent niet dat werkster die vrijheid niet had. Dat X werkster heeft belet een eigen klantenbestand op te bouwen, is op geen enkele wijze gebleken. Dat werkster bij ziekte contact opnam met X is geen contra-indicatie voor een overeenkomst van opdracht; het is begrijpelijk dat X in dat geval wilde proberen de ingeplande klanten bij een andere collega onder te brengen en dat daarvoor afstemming moest plaatsvinden. Ook de gang van zaken rond de betaling, waarbij de betaling door de klant plaatsvindt via het kassasysteem van X en X – na aftrek van de overeengekomen 50% in geval van klanten van de schoonheidssalon – door werkster maandelijks wordt gefactureerd voor het restant van de bruto-omzet, wijst niet op loonbetaling door X. In het kassasysteem wordt de betaling door de klant meteen aan werkster toegeschreven en is voor haar inzichtelijk dat dit haar omzet betreft. Evenmin is een contra-indicatie dat werkster een T-shirt met het logo van de schoonheidssalon van X droeg. Het is niet vreemd dat iedereen in de schoonheidssalon, gelet op de gewenste uitstraling, in dezelfde kleding moet werken. De kantonrechter oordeelt dan ook, op grond van het voorgaande, dat sprake was van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst. Afwijzing van de verzoeken van werkster volgt.

Advocaat: M. van der Chijs