Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 augustus 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:4816
Feiten
Van 1 juli 2023 tot 30 juni 2024 is werknemer als leaseadviseur in dienst geweest bij werkgeefster. Op 15 februari 2024 is werknemer medegedeeld dat er een verbetertraject wordt opgestart in verband met klachten over zijn functioneren. Op 16 februari 2024 heeft werknemer zich ziekgemeld. Als reactie hierop heeft werkgeefster werknemer laten weten zijn ziekmelding niet te accepteren. Op 20 februari 2024 heeft werkgeefster werknemer per e-mail opgeroepen om op 21 februari 2024, de volgende dag, zijn werkzaamheden weer op te pakken. Ook heeft werkgeefster werknemer gewaarschuwd voor een loonopschorting in het geval hij zich schuldig maakt aan werkweigering. Omdat werknemer niet is verschenen, heeft werkgeefster hem opgeroepen bij de bedrijfsarts. Deze heeft geconstateerd dat de klachten en beperkingen voor een belangrijk deel worden veroorzaakt door werkgerelateerde zaken. Volgens de bedrijfsarts zou werknemer wel halve dagen ondersteunend werk uit kunnen voeren. Daarnaast heeft de bedrijfsarts geadviseerd eerst knelpunten met elkaar te bespreken. Werknemer heeft daarna een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd. Het UVW kwam in dit deskundigenoordeel tot de(zelfde) conclusie dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat werkhervatting zonder mediation niet mogelijk is. Vanaf 1 maart 2024 betaalt werkgeefster, ondanks de verzoeken van werknemer, zijn loon niet meer uit. De arbeidsovereenkomst is op 30 juni 2024 van rechtswege geëindigd. In onderhavige kortgedingprocedure stelt werknemer zich op het standpunt dat werkgeefster zijn loon niet had mogen opschorten en hij vordert dan ook dat werkgeefster wordt veroordeeld het achterstallig loon over de maanden maart tot en met juni 2024 aan hem te betalen, vermeerderd met het vakantiegeld en een vergoeding voor opgebouwde verlofuren en overuren.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter vindt dat voldoende vaststaat dat werknemer vanaf 16 februari 2024 daadwerkelijk (gedeeltelijk) ziek was. Dit volgt uit het advies van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV. Dat betekent dat werkgeefster in beginsel verplicht was zijn loon door te betalen. Op grond van de arbeidsovereenkomst van werknemer is dat voor de eerste 26 weken van ziekte 100%. Werkgeefster mocht het loon van werknemer niet opschorten. De situatie uit artikel 7:629 lid 6 BW gaat hier niet op; werknemer heeft immers alle medewerking verleend om door de bedrijfsarts te laten vaststellen of hij al dan niet arbeidsongeschikt was. Daar komt bij dat het de bedoeling van werkgeefster lijkt te zijn geweest om het loon stop te zetten in plaats van op te schorten (werkgeefster heeft ook na het einde van de arbeidsovereenkomst het loon niet meer betaald en zij stelt dat werknemer niet meewerkt aan het verrichten van passende arbeid; een grond voor een loonstop ex artikel 7:629 lid 3 sub c en d BW). Werkgeefster was (ook) hier echter niet toe bevoegd, omdat zij werknemer hiervoor niet tijdig heeft gewaarschuwd. Het advies van de bedrijfsarts tot het verrichten van passende arbeid lag er immers ten tijde van de e-mail van 20 februari 2024 nog niet en bovendien heeft werkgeefster niet duidelijk aangegeven dat het ging om een loonstop (nu zij alleen maar sprak over een loonopschorting). De conclusie luidt daarom dat werkgeefster het loon van werknemer vanaf 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 had moeten uitbetalen en niet bevoegd was de betaling van het loon op te schorten of stop te zetten. De loonvorderingen van werknemer worden toegewezen. Ook ziet de kantonrechter geen reden om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen en deze wordt daarom tot het maximum van 50% toegewezen.