Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10 juli 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:5297
Feiten
Werknemer is op 1 september 2023 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van kok met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten loon van werknemer bedraagt € 2.944 bruto exclusief emolumenten. Op 7 april 2024 is werknemer niet op zijn werk verschenen. Een van de eigenaren heeft gebeld met werknemer en die vertelde dat hij die dag niet zou komen en helemaal niet meer zou komen werken. Werknemer was bij werkgeefster werkzaam op basis van een door de IND en UWV gecombineerde vergunning verblijf en arbeid (GVAA). Op 12 april 2024 ontving werkgeefster een brief van de IND, waarin stond dat werknemer vanaf 25 april 2024 voor een andere werkgever zou werken en hij vanaf die datum ook niet meer voor werkgeefster mag werken. In deze procedure vordert werkgeefster de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 2.260,05 netto. Volgens werkgeefster heeft werknemer op 7 april 2024 de arbeidsovereenkomst onregelmatig opgezegd zonder de opzegtermijn in acht te nemen en is hij daarom jegens werkgeefster schadeplichtig. De hoogte van de gefixeerde schadevergoeding is volgens werkgeefster gelijk aan het brutomaandloon (€ 2.944,00). Een deel van dit bedrag is bij de eindafrekening verrekend waardoor een bedrag resteert van € 2.260,05 netto.
Oordeel
De kantonrechter wijst de verzochte gefixeerde schadevergoeding toe. Werknemer heeft door op 7 april 2024 niet meer te verschijnen, en de bevestiging van de IND dat werknemer vanaf 25 april 2024 voor een andere werkgever zal gaan werken, de arbeidsovereenkomst opgezegd. Bij deze opzegging heeft werknemer niet de wettelijke opzegtermijn in acht genomen zodat sprake is van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. De opzegtermijn bedraagt één maand. Omdat sprake is van een onregelmatige opzegging is werknemer op grond van artikel 7:672 lid 10 BW aan werkgeefster een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Van werknemer is geen verweer bekend. De kantonrechter wijst daarom het verzoek toe.