Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22 oktober 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:1877
Feiten
Werkneemster is per 1 juni 2022 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van advocaat-stagiaire. De arbeidsovereenkomst is aangegaan onder een aantal ontbindende voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat werkneemster uiterlijk op 1 december 2025 de Beroepsopleiding Advocatuur met goed gevolg heeft afgelegd. De arbeidsovereenkomst van werkneemster bevat een studiekostenbeding. Werkneemster is op 19 mei 2023 op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat werkneemster haar studiekosten niet hoeft terug te betalen, omdat het studiekostenbeding nietig is. De beroepsopleiding voor advocaten valt onder de algemene scholingsplicht van de werkgever en moet dan ook kosteloos worden aangeboden, aldus de kantonrechter. In hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag naar de geldigheid van het tussen partijen overeengekomen studiekostenbeding met betrekking tot de door werkneemster gevolgde Beroepsopleiding Advocatuur. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) is in hoger beroep als belanghebbende in deze procedure verschenen.
Oordeel
Het hof constateert, net als partijen (werkneemster, werkgeefster en NOvA), dat er verschillende opvattingen bestaan over de geldigheid van een studiekostenbeding, die afhangen van de uitleg van de relevante wetsbepalingen. De Hoge Raad heeft daarover in deze context nog niet eerder beslist. Het hof ziet aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen van uitleg van het recht. De antwoorden zijn rechtstreeks van belang en nodig voor de te geven eindbeslissing van het hof. Daarnaast zijn de antwoorden op de te stellen prejudiciële vragen van belang voor de uitkomst van een groot aantal potentiële mogelijke toekomstige geschillen tussen andere partijen naar aanleiding van regelmatig terugkerende te sluiten arbeidsovereenkomsten tussen een advocaat-stagiaire en diens werkgever.
De eerste prejudiciële vraag die aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, luidt als volgt:
Kan de Beroepsopleiding Advocatuur worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiaire, zodat de werkgever in beginsel op grond van artikel 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen?
Aan de ene kant zou men kunnen stellen dat het hier gaat om scholing die noodzakelijk is voor het uitoefenen van de eigen functie van de werknemer – namelijk die van advocaat-stagiaire – zodat artikel 7:611a lid 1 BW van toepassing is op deze situatie. Aan de andere kant kan worden volgehouden dat de functie van advocaat-stagiaire een opleidingsfunctie is die een werknemer maximaal drie jaar mag uitoefenen. Daarbij zou het met succes afronden van de Beroepsopleiding Advocatuur zijn te bestempelen als het behalen van een beroepskwalificatie, startkwalificatie of een diploma waarover een werknemer moet beschikken om de functie van advocaat uit te oefenen. Hieruit volgt dan (kort gezegd) dat artikel 7:611a lid 1 BW niet van toepassing is op de Beroepsopleiding Advocatuur.
De tweede vraag die moet worden beantwoord, ziet op de verhouding tussen het eerste en het tweede lid van artikel 7:611a BW. Als zou gelden dat werkgeefster op grond van het eerste lid verplicht is werkneemster in staat te stellen de Beroepsopleiding Advocatuur te volgen, rijst de vraag of dit tot gevolg heeft dat werkgeefster zonder meer de kosten van de opleiding draagt (lid 2), zonder dat een geldig studiekostenbeding kan worden overeengekomen (lid 4). De tweede prejudiciële vraag luidt daarom als volgt:
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, heeft dan te geleden dat een werkgever op grond van artikel 7:611a lid 2 BW gehouden is om de Beroepsopleiding Advocatuur telkens kosteloos aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden, aan te bieden?
De achtergrond van deze vraag is de volgende. Uit de EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden en de door de wetgever gekozen systematiek van artikel 7:611a lid 1 en 2 BW zou kunnen worden afgeleid dat iedere opleiding die een werkgever op grond van het eerste lid aan een werknemer moet aanbieden, ingevolge het tweede lid voor rekening van de werkgever komt, zonder dat daarnaast noodzakelijk is dat elders in de wet een specifieke scholingsverplichting op de werkgever wordt gelegd. Het hof wijst in dit verband op de memorie van toelichting bij de wet waarmee de richtlijn wordt geïmplementeerd. Daarin staat: “Opleidingen die op grond van artikel 7:611a BW ook nu al door de werkgever moeten worden verstrekt, moeten inderdaad kosteloos verstrekt worden”. Gezegd zou kunnen worden dat de minister hiermee tot uitdrukking brengt dat scholing die een werkgever op grond van het eerste lid verplicht is om aan te bieden, vanaf de inwerkingtreding van de implementatiewet ook telkens kosteloos moet aanbieden. Anders dan voorheen, zou het voor deze scholing dus niet langer mogelijk zijn een studiekostenbeding overeen te komen.
Het is daarentegen ook denkbaar dat de verplichting om scholing kosteloos aan te bieden slechts bestaat als er een specifieke wettelijke bepaling is aan te wijzen waarop de scholingsplicht kan worden gebaseerd én de desbetreffende opleiding – bovendien – valt onder het toepassingsgebied van het eerste lid, waarin enkel een algemene scholingsplicht is neergelegd. De tekst van het tweede lid zou daarop kunnen duiden. Deze tekst komt erop neer dat een werkgever die op grond van nationaal recht verplicht is zijn werknemers scholing te verstrekken, de in lid 1 bedoelde scholing kosteloos dient aan te bieden. Met andere woorden: er zou eerst moeten worden vastgesteld of er een specifieke scholingsverplichting voor de werkgever bestaat, om vervolgens ook nog te toetsen of deze scholingsverplichting voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid.
De laatste prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid dat een (specifieke) opleidingsverplichting voor werkgeefster voortvloeit uit de Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur (Voda). Denkbaar is dat in deze regelgeving een specifieke verplichting voor werkgevers is neergelegd die inhoudt dat een werkgever verplicht is om de Beroepsopleiding Advocatuur aan advocaat-stagiaires aan te bieden. De derde prejudiciële vraag luidt daarom als volgt:
Moeten de Advocatenwet en de Voda, waarop de Beroepsopleiding Advocatuur is gegrond, zo worden uitgelegd dat deze een specifieke grondslag vormen als bedoeld in artikel 7:611a lid 2 BW, op grond waarvan de werkgever verplicht is deze beroepsopleiding kosteloos aan zijn advocaat-stagiaires te verstrekken?
Waar het bij deze vraag om gaat is of de Advocatenwet (in het bijzonder art. 8c lid 1 sub c) en de Voda (in het bijzonder art. 3.1 jo. 3.8 lid 3 jo. art. 3.13 lid 2 jo. art. 3.17 jo. art. 3.19) zijn aan te merken als het “nationale recht” waarin een werkgever verplicht wordt zijn werknemers (advocaat-stagiaires) scholing te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangenomen uit te voeren.
Het hof stelt voornoemde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.