Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 oktober 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:5802
Feiten
Werknemer is sinds 14 oktober 2019 in dienst van werkgeefster. Werkgeefster verzoekt op basis van de g-grond ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Werkgeefster voert daartoe aan dat tussen partijen verschil van inzicht is ontstaan over de wijze waarop werknemer invulling dient te geven aan de door hem uit te voeren taken. Ondanks inspanningen van partijen is het niet gelukt om het verschil van inzicht te overbruggen en in overleg tot een aanvaardbare oplossing te komen. Hiervan kan geen van partijen een verwijt worden gemaakt. Herplaatsing in een andere passende functie is, ook met behulp van scholing, niet mogelijk gebleken. De arbeidsverhouding is zodanig verstoord geraakt dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met werknemer te laten voortduren. Werknemer betwist niet wat werkgeefster aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Hij benadrukt dat hij zich steeds naar behoren voor zijn werk heeft ingezet en dat hem van de ontstane situatie geen verwijt treft. Hij heeft in zijn voorwaardelijk tegenverzoek verzocht om toekenning van een aantal vergoedingen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Hij heeft geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, dat de verstoring zodanig is dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met werknemer te laten voortduren, dat geen van de partijen hiervan een verwijt treft en dat er geen herplaatsing van werknemer in een andere passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk is. Partijen hebben de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 februari 2025. Nu deze datum niet eerder ligt dan de wettelijk voorgeschreven datum is er geen bezwaar tegen toekenning van dit deel van het verzoek. Ook zijn partijen het eens over de beëindigingsvergoeding, waar de transitievergoeding en de compensatie van rechtsbijstand bij zijn inbegrepen.