Naar boven ↑

Rechtspraak

curator in het faillissement van werkgeefster/werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 september 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:2795
Werknemer niet aansprakelijk voor door de belastingdienst aan werkgever opgelegde boetes en rente. Geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. Ook geen sprake van vereenzelviging van de werknemer en zijn administratie- en advieskantoor.

Feiten

Werkgeefster exploiteerde een installatiebedrijf. Enig aandeelhouder en statutair bestuurder van werkgeefster is A. A is gehuwd met B. Werknemer is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van administratie- en advieskantoor X. Werkgeefster maakte gebruik van de financiële dienstverlening van X. De feitelijke werkzaamheden werden verricht door werknemer en zijn echtgenote. Op 1 december 2015 is werknemer in dienst getreden bij werkgeefster op grond van een mondelinge overeenkomst. Overeengekomen is dat werknemer ongeveer 20 uren per week werkzaamheden voor werkgeefster zou gaan verrichten. In de tweede helft van 2018 heeft de belastingdienst een boekenonderzoek bij werkgeefster aangekondigd. Werknemer heeft het boekenonderzoek namens werkgeefster begeleid. De belastingdienst heeft per 16 oktober 2018 een betalingsachterstand vastgesteld van € 726.635,00. De belastingdienst heeft daarbij kosten (inclusief rente en boeten) aan werkgeefster in rekening gebracht voor een bedrag van in totaal € 92.534,00. Werkgeefster houdt werknemer hiervoor aansprakelijk. In het vonnis van 18 augustus 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat werknemer niet op grond van artikel 7:661 BW aansprakelijk is jegens werkgeefster voor de gestelde schade. Op verzoek van werkgeefster heeft een voorlopig getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2023 is werkgeefster in staat van faillissement verklaard. De curator heeft gebruikgemaakt van de bevoegdheid om deze procedure van werkgeefster over te nemen (art. 27 Fw). In hoger beroep betoogt werkgeefster onder meer dat de kantonrechter een te strenge maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van werknemer.

Oordeel

Werknemersaansprakelijkheid

Het hof is van oordeel dat werkgeefster, gelet op het verweer van werknemer, haar stelling dat werknemer bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst schade heeft toegebracht die een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. Uit al de genoemde feiten en omstandigheden volgt dat niet is komen vast te staan dat werknemer verantwoordelijk was voor het doen van de belastingaangiften. Volgens werkgeefster was werknemer hiervoor verantwoordelijk als werknemer, maar vast staat dat partijen geen schriftelijke arbeidsovereenkomst hebben gesloten of op een andere manier hierover afspraken hebben gemaakt. Het komt in de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van werkgeefster dat A als enig aandeelhouder en statutair bestuurder van werkgeefster feitelijk niets met betrekking tot werkgeefster heeft gedaan en dat B heeft vertrouwd op de handelwijze van werknemer, zonder zich met hem of zijn werkzaamheden te bemoeien. Volgens werknemer heeft het er alle schijn van dat sprake is geweest van slecht ondernemerschap, maar dat neemt niet weg dat aan zijn kant, als werknemer die de administratie van werkgeefster deed, sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten. Van werknemer had als werknemer mogen worden verwacht dat hij de administratie van werkgeefster zorgvuldiger zou verzorgen en B tijdig zou informeren over in elk geval alle brieven van de belastingdienst en belastingaanslagen die werkgeefster ontving. Uit onder meer de getuigenverklaringen volgt dat hij dat niet altijd heeft gedaan. Dit handelen en nalaten dient echter te worden geplaatst in context van de samenwerking zoals werkgeefster en werknemer hebben betoogd. Mede bezien in deze context is het hof van oordeel dat, ondanks het verwijtbaar handelen en nalaten, van opzet aan de kant van werknemer niet is gebleken. Dat werknemer bewust roekeloos zou hebben gehandeld heeft hij gemotiveerd betwist en heeft werkgeefster vervolgens onvoldoende (nader) onderbouwd. Het kan dan ook niet worden vastgesteld dat werknemer tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan de schadeveroorzakende voorafgaande gedragingen zich van het roekeloos karakter van die gedragingen daadwerkelijk bewust was (de hoofdregel van art. 7:661 BW). Het beroep van werkgeefster op de uitzondering op de hoofdregel slaagt niet. En anders dan werkgeefster heeft betoogd is, mede gelet op de specifieke aard van de arbeidsrelatie, geen aanleiding om aan te sluiten bij een andere aansprakelijkheidsnorm (art. 7:401 BW, art. 6:74 BW of art. 6:162 BW).

Vereenzelviging

De omstandigheden die werkgeefster naar voren heeft gebracht wijzen erop dat het voor haar niet duidelijk was wie welke werkzaamheden verrichtte, maar dat wil nog niet zeggen dat ook is voldaan aan de maatstaf voor vereenzelviging. Niet gebleken is dat werknemer misbruik heeft gemaakt van het verschil in identiteit tussen zichzelf als werknemer en als statutair bestuurder en enig aandeelhouder van X. Het was werkgeefster zelf die het initiatief heeft genomen om werknemer per 1 december 2015 als werknemer in dienst te nemen voor 20 uren per week om kosten te besparen.