Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ werkgeefster
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 oktober 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:3221
De door werkneemster aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten zijn niet vast komen te staan. Ook niet dat haar een arbeidsongeval is overkomen. Afwijzing vordering.

Feiten

Werkneemster is met EuroDetach on- & offshore services B.V. een arbeidsovereenkomst aangegaan. Werkneemster is uitgezonden naar werkgever als inlener. Op 8 maart 2017 heeft A bij het wegrijden met pallets van de orderpicktruck het ‘flowrack’ geraakt. Werkneemster stond op dat moment aan de andere kant van het flowrack de lege dozen te labelen. Op 10 maart 2017 heeft werkneemster zich ziekgemeld vanwege rugklachten. Werkneemster heeft onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het ongeval (op grond van art. 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW). Daaraan voorafgaand is een deelgeschilprocedure gevoerd, waarbij werkneemster aansprakelijkheid heeft gebaseerd op artikel 6:170 BW. In beide procedures zijn de vorderingen afgewezen. Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

Oordeel

Anders dan werkneemster meent, kan in dit hoger beroep gegriefd worden tegen de beschikkingen in het deelgeschil (als tussenvonnissen) en het eindvonnis. Dat er in de bodemprocedure (primair) een andere grondslag wordt opgevoerd brengt niet met zich dat de onderhavige procedure niet als bodemprocedure van het deelgeschil dient te worden aangemerkt. Er mag dus worden uitgegaan van de vaststellingen door de deelgeschilrechter tijdens de descente. Het hof oordeelt dat ook niet valt in te zien dat de bevindingen van de deelgeschilrechter en de daarop gebaseerde overwegingen van de kantonrechter ‘niet relevant’ zijn voor het oordeel in het kader van artikel 7:658 BW. Naar het oordeel van het hof duiden de bevindingen erop dat de feiten waarop werkneemster grondt dat haar tijdens haar werkzaamheden een ongeval is overkomen als gevolg waarvan zij rugletsel heeft opgelopen, niet hebben kunnen plaatsvinden. Gelet hierop had het op weg van werkneemster gelegen om concreet de feiten en omstandigheden uiteen te zetten die volgens haar meebrengen dat de bevindingen en overwegingen onjuist zijn en dat het door haar gestelde ongeval toch heeft plaatsgevonden. Dat heeft zij nagelaten. Zij heeft de bevindingen slechts in algemene zin bestreden, ervan uitgaande dat zij door het flowrack is getroffen én zij daardoor ernstige rugklachten heeft ontwikkeld. Daarmee draait werkneemster de bewijsrechtelijke zaken om; zij moest immers stellen en bewijzen. Het voorgaande voert tot de conclusie dat, anders dan gesteld door werkneemster, de door haar aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten tussen partijen niet vaststaan en dus ook niet dat er een ongeval heeft plaatsgevonden. Het hof oordeelt verder dat ook de diverse medische stukken onvoldoende grond bieden voor een werkneemster tijdens haar werkzaamheden overkomen ongeval als oorzaak voor het door haar gestelde rugletsel. Het vonnis wordt bekrachtigd.